Stramme Rollins nog vitaal

Jazzlegenden worden niet meer gemaakt. De meeste `vogels met heldenstatus' stammen uit de jaren veertig en vijftig en kwijnen nu weg in morsige bejaardentehuizen, of zijn al decennia geleden ten onder gegaan. Als er dan toch nog één blijkt te zijn die nog actief is en hij doet Amsterdam aan, loopt het Concertgebouw meteen vol.

De roem van tenorsaxofonist Sonny Rollins is voornamelijk gebaseerd op een tiental platen die hij eind jaren vijftig maakte, en waarvan Saxophone Colossus en Tenor Madness inmiddels behoren tot de jazzcanon. Maar de nu bijna zeventigjarige blazer bleef sinds die tijd een stroom opnames afscheiden, waarvan de meest recente, zijn 54ste album, vorig jaar uitkwam. Je zou het niet zeggen wanneer je hem gisteren stram het podium op zag schuifelen, maar de `laatste der bebop-groten' klinkt nog even vitaal als veertig jaar geleden. De saxofonist had een vijfkoppige band meegenomen die hem af en toe in de gelegenheid stelde een kleine adempauze te nemen, maar die bleek Rollins in het geheel niet nodig te hebben. Zijn begeleiders moesten zich tevreden stellen met het verzorgen van een solide achtergrond voor de solo's van de voorman. Dat de abominabele elektrische versterking die achtergrond tot een vlakke brij maakte, belette Rollins niet om majestueus boven alles en iedereen uit te torenen. Met zijn instrument hoog in de lucht of diep tussen zijn knieën zocht hij al improviserend naar nieuwe expressieve mogelijkheden. Iedere gespeelde noot was een commentaar op de vorige en een aankondiging van de volgende. Hernomen thema's wist hij telkens opnieuw in te kleuren door subtiel te spelen met ritme en toonsoort.

Helemaal op dreef kwam de saxofonist in de calypso's `Duke And Mine' en `Global Warming', waarin hij zich letterlijk los blies van zijn begeleiders. Licks die licht afgeknepen werden ingezet, eindigden in een triomfantelijke zwiep. Met duizelingwekkende vaart hemelwaarts schietende spiralen werden gepareerd met donkere misthoorns. Ritmisch gestotter vervloeide in lyrische melodielijnen, die alleen nog door staccato gespeelde losse noten verbonden waren met het thema. Wanneer Rollins dat thema na zijn uitstapjes weer moeiteloos oppikte, klonk dat wonderlijk en logisch tegelijk.

Hoe weinig de band - bestaande uit degelijke, maar kleurloze muzikanten toevoegde aan Rollins' spel, werd duidelijk in het laatste deel van `They Say Falling In Love Is Wonderful', toen trombone, percussie en piano even stilhielden. Bevrijd van het dwingende akkoordenkorset van pianist Stephen Scott, kon de tenorsaxofonist nog verder van het melodische pad dwalen dan eerder. Bob Crawshaw's `walking bass' en Victor See-Yuen's stuwende percussie vormden de perfecte ondergrond voor een zoektocht langs sprankelend hoog en sonoor laag. Voor het eerst tijdens het concert was ook het geluid enigszins acceptabel. Misschien moet Rollins de volgende keer maar met een trio komen.

Blok: Concert: Sonny Rollins; 25/10 in Concertgebouw A'dam.