Op kernenergie mag geen taboe meer rusten

Tijdens de behandeling van de Klimaatnota in de Tweede Kamer zou ook de mogelijkheid van het gebruik van kernenergie aan de orde moeten komen, menen H. van Dam, T.H.J.J. van der Hagen en A.H.M. Verkooijen.

Medio juni heeft het kabinet de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid gepresenteerd die dezer dagen in de Tweede Kamer zal worden behandeld. Deze nota richt zich hoofdzakelijk op maatregelen ter beperking van de uitstoot van kooldioxide bij energieopwekking. Bij lezing van de nota vallen twee zaken sterk op. In de eerste plaats is het duidelijk dat de Nederlandse doelstellingen voor lozingsbeperkingen, zoals die in internationale afspraken zijn vastgelegd, bij lange na niet worden gehaald. Er is, zoals dat zo mooi in ambtelijke taal heet, een aanzienlijk `voorzien beleidstekort'. In de tweede plaats valt op dat de nota niets zegt over kernenergie, waarmee de indruk bevestigd lijkt te worden dat dit onderwerp in Den Haag taboe is.

Op de drempel van de 21ste eeuw moeten we ons ernstig zorgen maken over de toekomstige energiesituatie en daarbij vooral rekening houden met te verwachten mondiale ontwikkelingen. Daarbij moeten we constateren dat de ontwikkelde landen vooralsnog niet in staat blijken hun energiebehoeften te stabiliseren, laat staan te verminderen. Nog belangrijker is echter dat de helft van de wereldbevolking geen toegang heeft tot commerciële energie, die onontbeerlijk is voor een verdere ontwikkeling en een menswaardig bestaan; 80 procent van de energieproductie vindt plaats voor het genot van de rijkste 20 procent van de wereldbevolking. Een verdrievoudiging van de mondiale energiebehoefte in de komende halve eeuw is zeker niet uitgesloten; een lagere uitkomst zal waarschijnlijk betekenen dat gewenste vergroting van welvaart en welzijn voor het arme deel van de wereld niet is gerealiseerd. Het voldoen aan deze energiebehoefte met eerbiediging van milieueisen is een zeer zware opgave, waarvoor alle zeilen moeten worden bijgezet. Dit houdt in, dat alle opties voor energieproductie moeten worden opengehouden, waarbij vooral de opties zonder (netto) kooldioxideproductie (zon, wind, biomassa, waterkracht en kernenergie) verdere ontwikkeling behoeven. De verschillende vormen van stromingsenergie, die als de meest duurzame worden beschouwd, zullen zowel kwantitatief als kwalitatief niet voldoende zijn om de energiebehoefte te dekken. Het kan niet voldoende worden benadrukt dat iedere reële optie volledig moet worden benut.

In dit verband wekt het verbazing dat de optie kernenergie wordt doodgezwegen. Er is zich internationaal een aanzienlijk inspanning aan het ontplooien om een nieuwe zogenoemde vierde generatie kernreactoren en bijbehorende faciliteiten te ontwikkelen, die zich zullen kenmerken door grotere veiligheid en economie, alsmede een lagere afvalproductie. Daarbij wordt ook gedacht aan uitbreiding van het toepassingsgebied: niet-elektrische toepassingen (zoals ruimteverwarming en proceswarmte, bijvoorbeeld voor bereiding van schoon drinkwater) en combinatie van elektriciteitsopwekking en warmtegebruik. Nieuw is ook de gedachte om relatief kleine, eenvoudige reactoren te ontwikkelen die inherent veilig zijn en volledig automatisch werken. In de Verenigde Staten is hiervoor een `Nuclear Energy Research Initiative' ontwikkeld dat tot doel heeft de infrastructuur van nucleaire wetenschap en technologie binnen universiteiten, onderzoekcentra en industrie te versterken teneinde een nieuwe impuls te geven aan de nucleaire technologie en de energiepositie van de VS veilig te stellen. De EU start binnenkort haar zogenoemde vijfde kaderprogramma, waarin innovatieve nucleaire projecten zijn opgenomen, waaraan ook Nederlandse deskundigen een bijdrage zullen leveren.

Tegen de achtergrond van het voorgaande is het noodzakelijk de voorgenomen sluiting van de Borssele-centrale ter discussie te stellen. Daar is een aantal belangrijke redenen voor. De centrale heeft al ruim 26 jaar op betrouwbare, veilige en economische wijze elektriciteit geproduceerd. Kortgeleden zijn de veiligheidsvoorzieningen in overeenstemming gebracht met de huidige stand van de techniek. Het zou een verkwisting van investeringen zijn om de centrale op relatief korte termijn te sluiten. Hiermee zou tevens het genoemde `beleidstekort' worden vergroot, terwijl vast is komen te staan dat openhouden van `Borssele' de goedkoopste wijze is van beperking van de uitstoot van kooldioxide. Het is een merkwaardige situatie dat ons land voortdurend aandringt op emissiebeperkingen en tegelijkertijd een milieuvriendelijke productie van elektriciteit wil beëindigen. Ook merkwaardig is het dat kernenergie nauwelijks bespreekbaar is, maar dat we 15 procent van onze elektriciteit importeren, die in belangrijke mate in kerncentrales is opgewekt; kennelijk is kernenergie wel acceptabel als zij in het buitenland wordt opgewekt.

Ook ons land moet zuinig zijn op de nucleaire infrastructuur zoals die bestaat bij de gespecialiseerde bedrijven, onderzoek- en adviesinstituten, de universiteit en de overheid. Zo kunnen alle opties voor de toekomst worden opengehouden en zal men zich niet buiten de boven geschetste technologische ontwikkelingen stellen op straffe van afhankelijkheid van het buitenland en verlies van eigen technologisch hoogwaardige werkgelegenheid. Daartoe moeten we zorgen dat onze nucleaire infrastructuur blijft bijdragen aan de internationale inspanningen, vooral in die gebieden waar onze mensen nog steeds op wereldschaal een vooraanstaande positie hebben en een bijdrage leveren aan de vierde generatie schone, veilige en economische reactoren. Onze internationale positie is alleen geloofwaardig als ons binnenlands beleid blijk geeft van verantwoordelijkheidsbesef ten aanzien van de energie- en milieuproblematiek. Daarin passen een openhouden van Borssele en het openhouden van de optie kernenergie.

Prof.dr.ir. H. van Dam, prof.dr.ir. T.H.J.J. van der Hagen en

prof.dr.ir. A.H.M. Verkooijen zijn verbonden aan de Technische Universiteit Delft.