Lijn 28

Rijden maar, op tramlijn 28, de hele dag! Zie hoe de bestuurder als een straatridder door de oude stad kronkelt, rammelend met zijn rijhandle, de zilveren remzwengel onder handbereik als we de steilte afgaan, dan weer de kreunende elektromotor aanvurend omhoog. Daar kraken we schuin een steeg in, als een olifant rommelen we langs schoenlappers en confectiekelders, bellen rinkelen, manometers zwaaien, pompen ratelen, maar we overleven alle tijden.

`Een heel land veertig jaar lang gebalsemd als een mummie! Dat was de prestatie van Salazar', noteerde Hans Magnus Enzensberger hier twaalf jaar geleden. `Alle afgedankte koningen ter wereld vonden hier, achter de muren van het regime, een wereld die voor hen in orde was. (...) Op zijn manier was ook Salazar een utopist. Hij wilde een wereld waarin niets zich beweegt, een totale hypnose.'

Enzensberger bereed indertijd ook lijn 28. Hij zag rond 1987 de wagons nog in de originele staat, met schuifhekjes bij de ingang, pluche op de stoelen en alle patenten van 1889 tot 1916 in een nikkelen lijst. Nu zie ik drukknoppen, elektrische schuifdeuren en skaileer. Ik zie op lijn 15 al de `supertram' glijden, als een zwartrode slang, terwijl de oude wagons zijn verkocht aan Amerikaanse pretparken. En ik zie hoe ook lijn 28 verandert, van vervoermiddel naar attractie.

In de plaatselijke kranten groeit de paniek. Men praat over een nieuwe aardverschuiving, nu door de bouw van de metrolijn onder het centrum. `Dozijnen oude gebouwen kunnen ieder ogenblik ineenzakken tot een hoop puin en stof.'

God sta ons bij, de mummie beweegt!