Euforie over Indonesië is vooralsnog misplaatst

Het is nog te vroeg om te juichen over de recente ontwikkelingen in Indonesië, meent Philip Bowring. De nieuwe regering zal de komende tijd een delicaat evenwicht moeten zien te vinden tussen het vervolgen van vroegere misdaden, het terugdringen van de staatsschuld en het herstellen van de economische groei.

Het formele politieke overgangsproces in Indonesië is bijna voltooid. Het land staat echter nog voor ontzaglijke problemen, waarvoor alleen de politiek – en geen economische formule – een oplossing kan bieden.

Tot dusver is het politieke proces soepeler verlopen dan iemand had durven hopen. Hoe teleurstellend ook voor de aanhangers van Megawati Soekarnoputri, de politieke stabiliteit – die het land in de allereerste plaats nodig heeft – is onder president Abdurrahman Wahid waarschijnlijk eerder hersteld dan onder Megawati. Bovendien is Wahid een veel kundiger politicus en een minder omstreden figuur en zal hij de moslims en de strijdkrachten beter kunnen weerhouden van negatieve reacties op Megawati's secularistische en hervormingsgezinde streven.

Wahid noch Megawati kunnen enige aanspraak maken op bestuurlijke kwaliteiten, maar zelfs dat zou een voordeel kunnen zijn indien zij politiek gewicht verlenen aan het beleid van bekwame ministers. Oppervlakkig beschouwd heeft Wahid de afgelopen jaren een nogal ongerichte politieke koers gevolgd. Maar wel hij heeft een fijn gevoel voor evenwicht en compromis, dat hij steeds gecombineerd heeft met het verlangen naar een meer representatief bestuur.

Zijn verkiezing met steun van de vroegere regeringspartij Golkar geeft al aan dat zijn regering eerder zal worden gekenmerkt door compromissen met het verleden dan door een drastisch hervormingsbeleid of vervolging van criminelen en schenders van mensenrechten. Dat hoeft echter niet verkeerd te zijn. Hervormingen zijn belangrijk; stabiliteit is dat des te meer.

Zoals Corazon Aquino heeft aangetoond na Marcos' vertrek uit de Filippijnen, is voor de wederopbouw van staatsinstellingen een reputatie van integriteit belangrijker dan bekwaamheid als bestuurder. Hoewel moreel te rechtvaardigen, kan het vervolgen van profiteurs en militaire onruststokers averechtse politieke gevolgen hebben.

Vermindering van de rol van de strijdkrachten zou invulling geven aan de nieuwe autonomie op provinciaal en districtsniveau. Maar ondanks alle smetten op hun blazoen door berichten over schending van mensenrechten in Oost-Timor en Aceh, vormen de strijdkrachten nog steeds de machtigste instantie in het land en hebben zij hun zelfbeeld als beschermers van de nationale integriteit behouden.

Het aanzien van de president, de plaatsing van de strijdkrachten onder burgerlijk gezag en de decentralisatie van de macht zullen hopelijk de opkomst van separatistische bewegingen in de provincie Aceh en elders tot staan brengen. Net zoals in de Filippijnen het streven van mevrouw Aquino naar democratie en eerbiediging van de mensenrechten de communistische rebellie heeft ontkracht. Met meer zeggenschap van de provincies over hulpbronnen zoals olie en gas zal het separatisme binnen de perken blijven, maar dit gaat ten koste van de nationale schatkist. Zo zal Jakarta aanzienlijke revenuen mislopen juist nu het de kolossale schulden moet gaan afbetalen – minstens 50 procent van het BNP – die de regering heeft opgelopen door de overname van oninbare bankvorderingen.

Dit brengt ons bij het volgende probleem: het bieden van nieuwe kansen aan in gebreke gebleven zakenlieden, zonder dat daardoor de terugkeer van vluchtkapitaal wordt tegengegaan.

Net als in het geval van de mensenrechten zal de nieuwe regering een delicaat evenwicht moeten zien te bereiken tussen het vervolgen van vroegere misdaden, het terugdringen van de staatsschuld en het herstellen van de economische groei. Ook zal zij het IMF en de Wereldbank ter wille moeten zijn door te zorgen dat belangrijke instituties, zoals het Indonesische Bureau voor Herstructurering van het Bankwezen, worden geleid door functionarissen van onbesproken gedrag. Door een tekort aan gekwalificeerd personeel en gezien de eisen die in de binnenlandse politiek worden gesteld kan er echter in de bureaucratie niet echt schoon schip worden gemaakt.

Een regering die naast enorme schulden ook immense, uit faillissementen verworven bezittingen heeft, ziet zich geconfronteerd met lastige politieke vragen. Moeten deze bezittingen zo snel mogelijk worden verkocht, vermoedelijk aan buitenlanders of Indonesische Chinezen? Of moeten ze in het belang van het land als geheel in handen van de staat blijven?

Zullen de democratische krachten binnen en buiten het parlement een meer nationalistisch economisch beleid eisen, of bevoordeling van autochtone Indonesiërs, zoals in Maleisië? En zo ja, zal dat de terugstroom van vluchtkapitaal doen opdrogen? Kunnen de Chinezen in het politieke bestel worden betrokken zonder concessies aan het autochtone verlangen naar een groter aandeel in de bedrijfswinsten? Het zijn complexe en onderling verweven kwesties.

De afgelopen weken is gebleken dat Indonesië nog steeds een instinctieve neiging tot het compromis bezit, belichaamd in president Wahid die heeft voorkomen dat conflicten tussen godsdiensten, partijen of etnische groepen uit de hand liepen. Maar de economische wederopbouw en de vorming van effectieve politieke instituties brengen immense problemen met zich mee.

Intussen hebben de ontwikkelingen op Oost-Timor de nationale trots gekrenkt op een manier die Indonesië nog wel eens tot een houding van rancune en wrevel zou kunnen brengen tegenover een wereld waarbij het land diep in de schuld staat.

Ter wille van de regionale stabiliteit en het herstel van Indonesië zelf verdienen president Wahid en vice-president Megawati onze hulp – niet in de laatste plaats door een substantiële verlichting van de 80 miljard dollar aan leningen in de particuliere sector die in de nadagen van het bewind van Soeharto grif zijn verstrekt door begerige westerse en Japanse banken.

Philip Bowring is Zuidoost-Azië specialist.

©International Herald Tribune