De Wet van Fanghetto

In het dorp deden geruchten de ronde, want er stond een bruiloft op stapel en er zou gedanst worden op het plein bij de kerk. Dat laatste werd er steeds bij gezegd – bij de kerk – wat als plaatsbepaling geheel overbodig was, want het dorp heeft maar één plein. Een heel klein pleintje, maar groot genoeg voor de gasten en het complete inwonertal tezamen, want er zullen niet veel meer dan zestig huizen in Fanghetto staan.

Al kun je je daarin vergissen, want elk huis is organisch vergroeid en verknoopt met de huizen eromheen, zodat je de voordeuren zou moeten tellen om erachter te komen hoeveel woonunits er nu eigenlijk zijn. Overigens is ook dat geen goede manier om het aantal aanwezige inwoners te bepalen, want gedurende grote delen van het jaar staat Fanghetto half leeg en zitten de luiken voor de ramen. Dan zijn de meeste tweede-huisjesbezitters afgereisd naar Nederland, en komen ze elkaar weer tegen bij café De Jaren, of in restaurant Bordewijk, want ook in het gewone leven thuis zijn ze min of meer buren van elkaar. Niet dat ze in Amsterdam ook echt pal naast elkaar wonen, maar wat ze wel delen is eenzelfde soort kennissenkring, waarin het grachtengordelcircuit een belangrijk aandeel heeft.

Ontwerpers, journalisten en kunstenaars, dat is het wel zo'n beetje. Want net als Airole, ook zo'n uit de rotsen gehakt gehucht op de Frans-Italiaanse grens, ongeveer tien kilometer verderop, is Fanghetto destijds ontdekt door een stelletje alternatievelingen met artistieke aspiraties. Voor een paar duizend gulden kon je daar dertig jaar geleden nog een krotje kopen, een ruine zoals Franse makelaars hun occasions graag aanduiden, en zelfs als je bijna niks verdiende was dat nog net te doen.

Natuurlijk had je dan ook niks, behalve een fantastisch uitzicht op een van de ruig begroeide bergen van de Alpes Maritimes, en de Middellandse Zee op een zeer berijdbaar afstandje van twintig kilometer. Gas en elektricititeit zullen ongetwijfeld ontbroken hebben, want zowel Airole als Fanghetto was nagenoeg dood, door de oorspronkelijke bewoners verlaten alsof er een pestepidemie had gewoed en de quarantaine ook na jaren nog niet was opgeheven. In de holen achter de kapotte muren resideerden schorpioentjes en hagedissen en voorzover ergens nog een dak op stond hadden de vleermuizen zich er genesteld.

Sindsdien is er het een en ander gebeurd, want het hippe volkje dat de voorhoede vormde ging het maken in de jaren zestig, en allengs veranderden de krotjes in kleine paleizen. Ze zeiden het voort in hun vriendenkring, niet erg luid natuurlijk, meer bij wijze van geheimtip voor insiders, zodat er al snel behoefte ontstond aan een ballotagecommissie in Fanghetto, om een beetje `onder ons' te kunnen blijven. Ongeveer naar het model van kunstenaarssociëteiten als Arti en De Kring: kreeg je niemand zo gek om je aan te bevelen bij de fine fleur die er al zat, dan kwam je er niet zo gemakkelijk in. Zelfs de Italiaanse overheid klopte regelmatig aan een gesloten deur, want die kieskeurige Hollanders wilden geen camping voor de deur en ze beschikten niet alleen over geld, maar ook over de juridische contacten om af te dwingen dat Fanghetto en Airole met egards werden behandeld.

Uiteraard riep het verlangen naar exclusiviteit ook een zekere kilte in het leven, want was je eenmaal lid van de club, dan was het ook in jouw belang om de verdere toeloop kritisch te bezien. En zelfs tegenover de mensen die al binnen waren kon een zekere afstandelijkheid geen kwaad, want zodra het eerste contact gelegd was dreigde uiteraard het gevaar dat je nooit meer van die persoon afkwam, en dat is een geducht risico in een dorp dat je moet delen met een stuk of zestig anderen. Of, zoals mijn vrienden in Airole het uitdrukken: Als je hier een huis koopt, koop je ook de buren.

Dat stelt eisen aan het protocol voor het onderlinge verkeer die aan het hof van Versailles niet zouden hebben misstaan. Met roddels kun je niet voorzichtig genoeg zijn, want iedereen hoort op den duur alles, en zomaar bij iemand binnenlopen voor een praatje en een glas wijn is er niet bij. Je spreekt met elkaar af in Ventimiglia of Menton, om een uurtje te gaan zwemmen, of je kiest tegen het eind van de middag positie op het caféterras van Airole, waar je altijd wel een bekende treft.

,,Jullie moeten echt even gaan kijken bij dat huwelijksfeest'', zeiden mijn vrienden in Airole al dagen van tevoren, terwijl ze druk zaten te bellen over de logistiek van het afhalen en herbergen van bruiloftsgasten die nog een logeeradres behoefden. Dat zouden we doen, namen we ons voor, maar we hadden beter moeten weten, want op de avond zelf bleek heel Fanghetto te zijn vergrendeld alsof de barbaren elk moment konden binnenvallen.

Op het steile pad van ons huisje naar het plein stuitten we op een waakzame dame, die zich had verschanst achter een barricade van bierkratjes en schragentafels. ,,Bent u een van de genodigden?'' informeerde ze wantrouwig, en toen we dat moesten ontkennen viel haar gezicht meteen in de straffe plooi van een beroepsuitsmijter. Over haar schouder zag ik een bevriende galeriehoudster uit Amsterdam, die in zwarte voile en op hoge hakjes over de keien strompelde. Wij kusten elkaar vluchtig, driemaal, net als thuis, maar maakten ons toch maar discreet uit de voeten. Weliswaar liepen we op de openbare weg, maar hier gold de Wet van Fanghetto en die dienden we te eerbiedigen. Zelfs de publieke ruimte is hier eigenlijk privé-bezit.

Noodgedwongen installeerden we ons op ons eigen terras, onder de druivenranken, en veinsden dat we het feestgedruis niet hoorden, want wilden al niet eens meer naar die bruiloft.

De volgende ochtend bleek hoe terecht dat was. Alle gasten waren stomdronken geworden. In combinatie met de vele trappetjes had dat geleid tot breuk, zowel van glazen als van botten. Bovendien hadden de Noren – vrienden van de bruidegom – gevochten met de Hollanders, zodat het plein er de volgende ochtend ontgoocheld bij lag. Iedereen had barstende koppijn en de blinden waren gesloten.

,,Misschien moeten we hier toch maar geen huisje kopen'', zei ik tegen mijn kinderen. ,,Als we nog eens terugkomen, kunnen we net zo goed iets huren.'' Dat bleken ze erg met me eens te zijn.