Vijftig jaar zingen

,,Optreden is nog steeds het leukst. Zolang je voldoende klank en zeggingskracht hebt, niet vals zingt en het voor het publiek nog prettig en boeiend is, vind ik dat je door kunt gaan, maar wel in bepaalde rollen – het jeugdige is natuurlijk uit de stem.''

De Nederlandse mezzosopraan Cora Canne Meijer heeft een indrukwekkende carrière achter de rug op binnen- en buitenlandse podia. Ze zong opera's, liederen en oratoria en was een van de gevierdste Carmen-vertolksters. Inmiddels is ze 70 jaar en zit 50 jaar in het vak. Dat wordt woensdag gevierd tijdens een concert met optredens van (ex-)leerlingen. Canne Meijer geeft les, werkt aan een boek en treedt nog af en toe op. In januari komt de dubbel-cd Biography uit met aria's uit haar glansrollen en ze is ook te horen op de binnenkort door Philips uitgebrachte cd-box `Honderd jaar Nederlandse zangkunst'. Ze is gastdocent aan het Amsterdamse Sweelinck conservatorium, maar de bezuinigingen daar maken het werk er niet plezieriger op.

,,Ik zal blij zijn als ik er straks mee ophoud, want ik voel me medeplichtig worden aan iets verkeerds. Studenten met hoofdvak zang krijgen één uur zangles in de week. Dat is bespottelijk. In dat ene uur moet je iemand niet alleen leren zingen, maar ook dictie, uitspraak en interpretatie bijbrengen. De studie wordt steeds korter, maar voor een fysiek rijpingsproces als leren zingen heeft zelfs de getalenteerdste student tijd nodig. Men wil nu een strengere selectie, maar dat is oneerlijk. Je hoeft niet veelbelovend te zijn om een uitstekende carrière te maken. Sommige stemmen ontplooien zich pas tijdens de studie.

,,Zelf wilde ik als kind altijd actrice worden. Op mijn zesde stond ik al op toneel. Ik begon te zingen in een kinderkoor en kreeg op mijn 14de een Schubert-album. Ik had levendige beelden bij Gretchen am Spinnrade. Tekst is altijd belangrijk voor me gebleven, bij het samenstellen van een liederenprogramma, liet ik mij daar altijd door leiden.

,,In de opera werd ik, omdat ik zo klein ben, vaak gevraagd voor jongensrollen. Op mijn 20ste zong ik voor het eerst Cherubino in Le nozze di Figaro. Ik vond toen het acteren in aria's erg moeilijk en heb eerst bestudeerd hoe jonge jongens zich bewegen en gedragen. Nu zijn regisseurs naar het andere uiterste omgeslagen, maar vroeger vertelden ze je bijna niets. Daarom ging ik altijd zelf op zoek naar de invulling van mijn rollen. Voor Carmen nam ik Spaanse dansles, leerde castagnetten spelen en keek goed naar de trotse houding van de flamencodansers. Ik ben altijd geprezen om mijn acteren. Spelen en zingen moet je niet scheiden. Als je goed met je rol bezig bent, ontstaat er vanzelf een expressie, een lichaamshouding. Maar daarvoor moet je eerst wel leren zingen zonder obstakels met een stem die gehoorzaam is, waarop je kunt vertrouwen.

,,Ik heb zelf een zangtechniek ontwikkeld die parallellen bleek te vertonen met de Alexander-techniek, genoemd naar een Australische acteur die altijd last had van heesheid, omdat hij vóór het reciteren altijd een verkeerde hoofdbeweging maakte, waardoor de nek verstijfde. Bij zangers kom je dat ook tegen. Alexander heeft een methode ontwikkeld om dat te bestrijden. Ik geef nu samen met een Alexander-leraar cursussen aan zangers en die leiden vaak tot opzienbarende resultaten omdat de zanger de vrijheid en het vertrouwen krijgt om de stem zijn gang te laten gaan. Mijn boek is daar ook op gebaseerd.

,,Zelf ben ik de laatste tien jaar ook niet slechter gaan zingen. Souplesse en uithoudingsvermogen nemen natuurlijk wel af en het kraakbeen wordt hard met het ouder worden. Dat is vreselijk, maar het is verkeerd om elke moeilijkheid aan de leeftijd toe te schrijven. Het heeft ook te maken met verlies aan zelfvertrouwen. Ik heb dit jaar nog de rol van Zita in Gianni Schicchi gezongen. Ik beschouw het ook als een soort research om te kijken hoe lang je door kunt gaan, mede als voorbeeld voor anderen die denken dat zingen op je vijftigste is afgelopen.

EnCora: 27/10 20.15 uur, Kleine Zaal Concertgebouw Amsterdam. Res. (020)6718345