Springboks dompelen Engelsen in rouw

Voor Engeland kwam gisteren een einde aan het WK rugby. Titelverdediger Zuid-Afrika was in Parijs te sterk voor de ploeg die zo graag de hegemonie van het zuidelijk halfrond had willen doorbreken.

Zingen is een kunst en Engelsen verstaan die als weinig anderen. Het Stade de France, de majestueuze sporttempel aan de rand van Parijs, schudt op zijn grondvesten als even voor tweeën vijftien potige mannen en hun gevolg uit volle borst het God Save The Queen aanheffen. Engeland is klaar voor de strijd en tot ver buiten de Franse hoofdstad mogen ze dat weten.

Het hallicunerende gezang mag niet baten. Uitgerekend op het grondgebied van erfvijand Frankrijk komt een einde aan de WK-missie van de Engelse rugbyers. Ten overstaan van bijna 80.000 toeschouwers maakt Zuid-Afrika, tot gisteren matig op dreef in het toernooi, in de kwartfinales korte metten met de ploeg die zich vooraf nog opwierp als de luis in de pels van de gevestigde orde, 44-21.

De voortijdige aftocht is een hard gelag voor The Pommies (`De Aardappelen'), zoals de Engelsen vanwege hun vermeende aardappel in de keel gekscherend worden genoemd door niet-Engelse rugbysupporters. Het land met verreweg de grootste rugbypopulatie ter wereld – 251.000 geregistreerde spelers volgens officiële statistieken van de wereldrugbybond – staat bij de vierde editie van het WK opnieuw met lege handen. ,,Het heeft zo moeten zijn'', klinkt het na afloop berustend uit de mond van bondscoach Clive Woodward.

Het echec in Parijs sluit naadloos aan op de sportieve malaise die Engeland nu al jaren in de greep heeft en zo langzamerhand dreigt uit te groeien tot een nationaal trauma. Cricketers, tennissers, rugbyers en voetballers – een voor een moeten ze genoegen nemen met een bijrol in een tak van sport die nota bene door hun voorouders werd `ontdekt'. ,,We lost'', murmelt Woodward naderhand en in zijn stem weerklinkt de frustratie van gans Engeland.

Kosten noch moeite spaarde de Rugby Football Union in de aanloop naar het WK. Op voorspraak van Woodward streek de Red Rose Brigade afgelopen voorjaar neer in Lympstone, voor een opleiding bij het korps mariniers. Daar, ver weg van de bewoonde wereld, sjouwden de rugbyers achttien dagen lang met bomen en met stenen, en leerden ze om met beperkte middelen op de been te blijven.

Grote, sterke en mentaal geharde kerels zouden zijn spelers worden, voorspelde Woodward. Groot en sterk genoeg in elk geval om de fysiek taaie opponenten uit het zuidelijk halfrond, Australië, Nieuw Zeeland en Zuid-Afrika, naar de kroon te kunnen steken. ,,We zijn voor niemand bang'', pochte de oud-international voor aanvang van het toernooi.

Niets blijkt minder waar. Het onheil kondigde zich twee weken geleden al aan, toen Engeland het antwoord schuldig bleef op het fysieke en doortastende spel van Nieuw Zeeland, 16-30. Winst in groep B was daardoor uitgesloten en Engeland kon zich opmaken voor the southern hemisphere route to the final, zoals kranten schreven. Oftewel een reeks veldslagen met landen waar rugby een religie is.

De eerste horde, vijftien gespierde reuzen van de Fiji-eilanden, bleek al zeer lastig, maar die werd woensdag na veel pijn en moeite bedwongen. De tweede, titelverdediger Zuid-Afrika, leek een nog moeizamere opgave. Zij het niet voor Woodward. Fijntjes herinnerde hij zijn gehoor afgelopen week nog maar eens aan de laatste krachtmeting tussen beide landen, in december van het vorig jaar, toen Engeland een abrupt einde maakte aan de indrukwekkende zegereeks van de Springboks: zeventien overwinningen op rij.

Maar wat vooraf nog was geafficheerd als een herhaling van de Boerenoorlog – de strijd die de Afrikaners en de Engelsen begin deze eeuw in Zuid-Afrika voerden – blijkt in de praktijk niet meer dan een onschuldig opstootje. Alleen voor rust sputteren de Engelsen nog wat tegen. In de tweede helft is het verzet gebroken en drukken de Springboks, onder leiding van aanvoerder Joost van der Westhuizen, het krachtsverschil ogenschijnlijk moeiteloos uit in de score.

Grootste kwelgeest van de Engelsen is een speler wiens naam alleen al ontzag inboezemt: Jannie de Beer. De geblokte fly-half uit Oranje Vrijstaat is goed voor maar liefst 34 punten, waaronder vijf dropgoals. Met een grijns van oor tot oor dient De Beer Engeland in blessuretijd het nekschot toe. ,,Vijf dropgoals, dat is nog nooit vertoond'', stamelt Woodward.

Zijn aanvoerder, Martin Johnson, maakt een al even aangeslagen indruk. Het leed druipt na afloop van zijn gezicht. Johnson oogt van nature al als een uit de kluiten gewassen Muppetcreatie met wie het kwaad kersen eten is. Zijn grimmige blik maakt hem ditmaal tot een eenzame treurwilg.

Captain Colossus luidt zijn bijnaam, maar Zuid-Afrika blijkt niet geïmponeerd door de naam en faam van Johnson, die weliswaar voorop in de strijd gaat maar geen bressen weet te slaan in de Springboks-defensie. ,,Het zat potdicht'', verzucht hij later. ,,Wat we ook deden of probeerden, we liepen telkens tegen een muur op.''

Engelse verslaggevers nemen na afloop de bondscoach onder vuur – een geliefde bezigheid zodra de resultaten tegenvallen. ,,Niemand hoeft medelijden met mij te hebben'', zo houdt Woodward zich groot. Maar de kans lijkt klein dat de oud-speler van Leicester in februari terugkeert op de bank.

Hoop kan Woodward putten uit het gezang dat op hetzelfde moment opstijgt voor de poorten van het Stade de France. Always look on the bright side of life, zingt een verdwaalde Engelse supporter. Zingen is inderdaad een kunst.