Robeco eerste met fonds voor `junk bonds'

Junk bonds hebben een slechte naam. Wie leent immers geld aan een bedrijf dat verslaafd is aan kredieten? Een achterhaald imago, vindt Robeco, dat als eerste in Nederland met een `junkfonds' komt. Over een jaar hoopt de vermogensbeheerder over honderd miljoen euro te beschikken.

Het tegenovergestelde van spannend en sensationeel beleggen? Obligaties natuurlijk. Nog wel, maar daar begint geleidelijk een einde aan te komen. Obligaties kunnen wel degelijk spannend zijn. Niet zozeer omdat de obligatiemarkten, bijna in het geniep, de afgelopen maanden een heuse krach hebben doorgemaakt. Maar vooral omdat een nieuwe trend uit de Verenigde Staten in Euroland vaste grond onder de voeten begint te krijgen: hoogrenderende bedrijfsobligaties. In vroeger tijden beter bekend als junk bonds.

Robeco komt als een van de eerste vermogensbeheerders in Euroland met een beleggingsfonds dat in deze beruchte junk bonds zijn geld gaat steken. ,,Junk bonds hebben inderdaad een slechte naam uit het verleden, maar dat slijt wel. Wij zien voor deze hoogrenderende obligaties een prachtige rol weggelegd tussen, qua risico en rendement, de veilige Europese staatsobligaties en aandelen in'', stelt beheerder Ed van Wijk van het High Yield Obligatiefund dat komende maand wordt gelanceerd. En, voegt hij eraan toe, de Amerikaanse junk bond-koning Michael Milken is in de jaren tachtig niet wegens deze obligaties in de bak gedraaid, maar wegens zijn misbruik van voorkennis.

Het Robeco-fonds wil gaan investeren in bedrijven die naarstig op zoek zijn naar kapitaal, maar voorlopig nog niet over de status van Triple A (de hoogste kredietwaardigheid zoals de Rabobank die heeft) beschikken. ,,Een rente van 12 procent is dan geen uitzondering'', stelt Van Wijk. ,,Dat hebben die bedrijven die echt willen expanderen er graag voor over: bij de bank kunnen ze slechts korte leningen krijgen en moeten ze jaarlijks misschien wel 20 procent aflossen.'' Van Wijk denkt met zijn rendement gemiddeld zo'n twee tot vier procentpunt boven de rente van de huidige staatsobligaties (circa 5,5 procent) uit te komen.

In de Verenigde Staten wordt nu al jaarlijks voor 600 miljard dollar aan bedrijfsobligaties verhandeld. In Europa begint de markt net op gang te komen: voor dit jaar wordt een totaal verwacht van 40 miljard gulden, maar dit bedrag zou binnen vijf jaar maar liefst verzevenvoudigen.

Onder meer het telecombedrijf Versatel, het kabelbedrijf UPC en verpakker Kappa hebben in Nederland obligaties aan de man gebracht met een rente van rond de 12 procent. ,,Dat deze markt zo snel groeit heeft enerzijds met de komst van de euro te maken, waardoor de verhandelbaarheid enorm is toegenomen. Tegelijk speelt de structureel lagere rente een rol: beleggers vinden het rendement op de staatsobligatie te laag'', aldus Van Wijk. Een bijkomend voordeel voor de Nederlandse belegger is het nieuwe belastingplan dat vanaf 2001 van kracht wordt: de hoge rentes of dividenden worden dan niet meer zo zwaar belast als nu nog het geval is.

Overigens zijn het niet alleen bedrijven die met hoog renderende leningen komen: ook minder kapitaalkrachtige landen als Bulgarije en Mexico moeten een paar procent extra rente bieden om geldschieters te vinden.

Voor bedrijven moet het niet zo aangenaam zijn om door middel van een bijzonder hoge rente een riskant imago te krijgen. In de Amerikaanse praktijk is dat taboe inmiddels doorbroken.

Van Wijk: ,,Natuurlijk moeten bedrijven die deze obligaties willen uitbrengen met de billen bloot, maar dat komt de transparantie alleen maar ten goede. En de financiële wereld weet echt wel dat achter zo'n hoge rente absoluut geen slecht bedrijf hoeft te zitten. Ze hebben alleen veel geld nodig, voordat de tijd komt dat de investeringen zichzelf terugbetalen.''

Toch zijn de risico's vanzelfsprekend hoger dan het schatkistpapier van de heer Zalm. In de economisch moeilijkste tijden in Amerika kon maar liefst tien procent van de obligatieverstrekkers zijn financiële verplichtingen niet aan. Gemiddeld ligt de zogeheten `defaultratio' rond de twee procent.

Om niet te gronde te gaan aan de Ceteco's uit het bedrijfsleven (het handelsbedrijf waar de provincie Zuid-Holland 47 miljoen gulden in had gestoken) spreiden de obligatiefondsen hun risico's zoveel mogelijk. ,,Dat geldt in geografische zin, maar ook spreiding over verschillende branches is belangrijk. Verder kijken beheerders goed naar de waarderingen die kredietbeoordelaars zoals Moody's en Standard & Poors die verstrekken. Wij steken ons geld in bedrijven die een kredietwaardigheid hebben van `double B' tot het risicovolle `single C''', aldus Van Wijk die binnen een jaar over zo'n honderd miljoen euro hoopt te beschikken.