Pont

De forensenpont over de Taag is de stad in het klein. Het is vrijdagmiddag 6 uur, en twintig minuten lang zitten zo'n tweehonderd afgewerkte mensen stil op het bovendek: ambtenaren, kantoormeisjes, arbeiders, verpleegsters, arm, welvarend, jong, oud, blank, bruin, en allemaal de tas op schoot en de blik op oneindig. De lucht boven de rivier, rood van de avondzon. De lijnen van de imposante hangbrug. Schepen in de nevel, in de verte de oceaan.

Op het dek heerst een groot zwijgen, maar de elektronica kwinkeleert als een volière. Een zwarte zakenman toetst liedjes op zijn telefoon, een jongen met een baseballpet bevecht de Space-Invaders in zijn handpalm, het zwarte meisje voor me speelt met een diskman, haar beeldschone moeder kijkt dromerig naar het water.

Het Lissabon van dit bovendek doet bijna Amerikaans aan, een jaloersmakende meltingpot vol eigen dynamiek. Nergens in Europa zag ik de Derde Wereld zo vanzelfsprekend aanwezig als hier. De `retornados', die vloed aan remigranten uit de voormalige kolonies, zijn door de Portugezen opgevangen met de vermoeide tolerantie van een toch al straatarme familie. En de meesten hebben het gered, ook de niet-blanken. Nu, na twee decennia, maken ze deel uit van Lissabon alsof ze er al tien generaties wonen, fier en zelfbewust – want als iets integratie bevordert dan is het de solidariteit van de armen. Op de kade stuift de menigte direct uiteen, hollend naar bussen en auto's. In de schemer hangen grote rookwolken rondom de stalletjes met gepofte kastanjes. Het wordt herfst. Vanuit zee waaien nieuwe wonderen binnen.