Ontwerp Vreemdelingenwet is eenzijdig en kortzichtig

Het ontwerp van de nieuwe Vreemdelingenwet gaat ten koste van de rechtspositie van andere immigranten dan asielzoekers, meent Kees Groenendijk. De goede voornemens van het kabinet op de Europese top in Tampere lijken geheel vergeten te zijn.

Half september hebben de bewindslieden van Justitie bij de Tweede Kamer het ontwerp voor een nieuwe Vreemdelingenwet ingediend. De aanleiding hiervoor was het compromis over de asielprocedure in het regeerakkoord van het tweede paarse kabinet. Voorgesteld wordt de huidige wet geheel te vervangen.

Het wetsontwerp is echter eenzijdig en kortzichtig, omdat de discussie erover vrijwel geheel was gericht op herziening van de asielprocedure en vermindering van het aantal asielstatussen. De positie van de andere immigranten (gezinsleden, arbeidsmigranten, buitenlandse studenten en EU-burgers) bleef in die discussie buiten beschouwing. Deze groepen vormen echter veruit de meerderheid van de niet-Nederlandse immigranten in ons land. Het wetsontwerp bevat nu ingrijpende veranderingen ten aanzien van hun positie. Het zijn praktisch allemaal verslechteringen vergeleken met de huidige wet.

Het ontwerp stelt voor een aantal regels uit de Vreemdelingencirculaire in de wet vast te leggen. Daarmee is de rechtszekerheid gediend. Ook op dit punt is het wetsontwerp eenzijdig. De regels die naar de wet worden overgeheveld kunnen allemaal tegen vreemdelingen worden gebruikt. Regels in de circulaire die essentieel zijn voor het verblijfsrecht van grote groepen legale vreemdelingen, zoals het recht op gezinshereniging of het verblijfsrecht van de tweede generatie, laat het wetsontwerp in de circulaire staan. Dat betekent dat ze eenvoudig, zonder medewerking van het parlement, kunnen worden gewijzigd.

Het wetsontwerp is kortzichtig omdat een toekomstanalyse van de positie van toegelaten vreemdelingen ontbreekt. Ook wordt geen aandacht besteed aan de vraag hoe de voorgestelde regels zich verhouden tot de wetgeving van de buurlanden. Dat geldt overigens ook voor de voorgestelde regels inzake asielzoekers. Nu aan een harmonisatie van het vreemdelingenrecht in de EU wordt gewerkt, ligt het toch voor de hand dat Nederland bestaande verschillen niet vergroot maar vermindert. In België, Duitsland en Frankrijk is het recht op gezinshereniging, de rechtspositie van toegelaten gezinsleden en het verblijfsrecht van de tweede generatie in de wet vastgelegd. Het recht op gezinsleven is immers een van de mensenrechten. Nederland neemt in dit opzicht al jaren een uitzonderingspositie in West-Europa in. Het wetsontwerp laat die situatie voortbestaan. Alleen een beperkte vorm van gezinshereniging van vluchtelingen wordt in de wet geregeld. Ook hier komt het eenzijdige, op asiel gerichte perspectief van de opstellers tot uitdrukking.

Kortzichtig zijn met name de voorgestelde verslechteringen van de rechtspositie van toegelaten vreemdelingen. Op dit punt vormt het wetsontwerp een stilzwijgende maar ingrijpende breuk met het minderhedenbeleid. Ik noem enkele voorbeelden.

Voor vreemdelingen die hier vijf jaar legaal wonen, wordt het straks moeilijker om een vestigingsvergunning te krijgen.

De mogelijkheden om toegelaten vreemdelingen uit te zetten worden aanmerkelijk verruimd. Er komen meer gronden voor intrekking van een verblijfs- of een vestigingsvergunning. De bestaande intrekkingsgronden worden ruimer omschreven. Nu is bijvoorbeeld voor intrekking van een verblijfsvergunning een veroordeling voor een strafbaar feit vereist; straks zal een verdenking voldoende zijn.

Nu is een vreemdeling, die hier lang legaal verblijft, er zeker van dat hij niet kan worden uitgezet wegens een politiek onwelgevallige publicatie of omdat hij bijstand aanvraagt. Volgens het wetsontwerp zal dat voortaan wel mogelijk zijn. Opmerkelijk is dat de noodzaak van deze wijzigingen in de Memorie van Toelichting niet wordt beargumenteerd. Sommige wijzigingen worden in de toelichting zelfs helemaal niet genoemd.

Het wetsontwerp wijzigt regels die al meer dan dertig jaar belangrijke waarborgen voor vreemdelingen vormen. De toelichting vermeldt nergens waarom deze wettelijke waarborgen nu opeens moeten worden afgebroken.

Ook wordt voorgesteld de bevoegdheid van de politie te verruimen om mensen op straat aan te houden om te controleren of ze hier illegaal zijn. Die verruiming treft niet alleen legale en illegale vreemdelingen, maar ook Nederlanders die er niet als een Hollander uitzien. De voorgestelde regel is begin jaren negentig door de Tweede Kamer verworpen. Twee jaar geleden is er bewust opnieuw van afgezien. Nu wordt voorgesteld de waarborgen tegen discriminatoir optreden door de politie te verminderen.

Als de voorgestelde verslechteringen tot wet worden, zullen lang gevestigde vreemdelingen in de toekomst moeten terugvallen op de bescherming van de minimumnormen van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Tijdens de Europese top in Tampere deed het kabinet het voorstel om de rechtspositie van lang in de EU wonende immigranten en van de tweede generatie te versterken. Ze zouden dezelfde rechten als EU-burgers moeten krijgen. Uitzetting van deze vreemdelingen zou hoge uitzondering of geheel uitgesloten moeten zijn. Voor dit goede voorstel kreeg Nederland onverwacht veel steun van andere lidstaten. In de nieuwe Vreemdelingenwet wil het kabinet juist het omgekeerde te doen. Het wetsontwerp geeft een heel ander signaal aan uitvoeringsinstanties, aan hier gevestigde vreemdelingen en aan de autochtone bevolking. Dit signaal lijkt serieuzer te worden genomen dan de goede voornemens in Tampere.

De makers kozen voor de nogal pretentieuze naam `Vreemdelingenwet 2000'. Als een nieuwe wet voor een iets langere periode dan alleen het jaar 2000 is bedoeld, verdienen de regels over andere immigranten dan asielzoekers zorgvuldige heroverweging. Wanneer men sommige voorstellen inzake asielzoekers op korte termijn wil invoeren, is het beter de huidige wet alleen op dat punt te wijzigen en de positie van andere vreemdelingen voorlopig ongemoeid te laten. In deze vorm behoort het wetsontwerp zeker geen wet te worden.

Kees Groenendijk is hoogleraar rechtssociologie en voorzitter van het Centrum voor Migratierecht aan de Katholieke Universiteit Nijmegen.