Net geen 100 procent voor Ben Ali

In Tunesië zijn gisteren presidents- en parlementsverkiezingen gehouden. President Ben Ali handhaaft zijn vaste greep op het land.

Kritische waarnemers zouden niet verbaasd zijn geweest als de Tunesische president Zine el-Abidine Ben Ali gisteren als eerste in de Midden-Oosterse geschiedenis met méér dan 100 procent van de stemmen als staatshoofd was herkozen. Met 99,27 procent van de stemmen in 1989 en 99,91 procent in 1994 was hij immers duidelijk op de weg omhoog, betoogde vorige week een internationale organisatie voor de rechten van de mens.

Ben Ali (63) passeerde uiteindelijk deze historische grens niet. Het werd volgens zijn ministerie van Binnenlandse Zaken gewoon ruim 99 procent – de precieze einduitslag was er vanmiddag nog niet. Daarmee blijft hij wèl in de topgroep in het Midden-Oosten. De Jemenitische leider Ali Abdullah Saleh werd vier weken geleden herkozen met 96,3 procent van de stemmen en zijn Egyptische ambtgenoot Hosni Mubarak met 93,76 procent. Ben Ali's belangrijkste rivaal zijn Assad van Syrië (214 tegenstemmers begin dit jaar) en Saddam Hussein van Irak. Diens onderdanen vierden twee weken geleden juist dat hij vier jaar geleden met 99,96 procent van de stemmen in zijn ambt werd bevestigd.

Tunesië is voor de meeste Westerlingen niets anders dan een vriendelijk toeristenparadijs, een zonnige prentbriefkaart die werkelijkheid is geworden. Je hebt er geen last van moslimextremisten, zoals in het buurland Algerije en van tijd tot tijd ook in het wat verderop gelegen Egypte; die heeft Ben Ali opgesloten of weggejaagd. De armoede van Algerije of Egypte of Jemen kent het evenmin, en ook dat is de verdienste van de herkozen president. De meesten van de 9,4 miljoen Tunesiërs hebben een autootje, elektriciteit en stromend water. Het bruto nationaal inkomen per hoofd van de bevolking bedraagt ongeveer 2.000 dollar (Egypte 900, Algerije 1.700), de economie groeide vorig jaar 5 procent en dit jaar naar verwachting 6,2 procent, het toerisme expandeert, de landbouw bloeit, en de Westerse overheden zijn dus ook meer dan tevreden. Het Internationale Monetaire Fonds prees vorige maand ,,belangrijke stappen naar een openmarkteconomie''.

Maar de verkiezingspercentages in het Midden-Oosten zijn meer dan lokale folklore. Zij weerspiegelen de dictatoriale werkelijkheid in deze landen, Tunesië bepaald niet uitgezonderd.

`Onze vriend Ben Ali' of `de keerzijde van het wonder' luidt de titel van een zeer kritisch boek-pamflet dat twee Franse journalisten, Nicolas Beau van Le Canard Enchaîné en Jean-Pierre Tuquoi van Le Monde, hebben uitgebracht ter gelegenheid van de Tunesische verkiezingen. Ben Ali heeft Tunesië sinds zijn machtsgreep in 1987, toen hij de bejaarde Habib Bourguiba terzijde schoof, veranderd in een ,,reusachtige kazerne'', zo schrijven zij.

Internationale organisaties voor de rechten van de mens – en ook het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken in zijn jaarlijkse rapport over de rechten van de mens – zijn het daar volkomen mee eens. In zijn jongste rapport spreekt Amnesty International van 2.000 politieke gevangenen. Onder hen zijn pleitbezorgers voor de rechten van de mens en mensen die ervan worden verdacht niet-erkende oppositiegroepen te steunen, ongeacht of het nu fundamentalisten, liberalen, nationalisten of linkse activisten zijn. Volgens Amnesty blijven folterpraktijken en slechte behandeling wijdverbreid, in het bijzonder wanneer arrestanten in afzondering worden gehouden. Verwanten van dissidenten worden lastig gevallen. De pers beoefent strikte zelfcensuur, daartoe aangemoedigd via afluisterpraktijken, huisdoorzoekingen en politiebewaking.

Een van de weinige Tunesische journalisten die de autoriteiten nog trotseren, is Taoufik Ben Brik, correspondent van onder andere de Franse krant La Croix (die dan ook is verboden in Tunesië). In een via e-mail verspreid essay schreef Ben Brik vorige maand: ,,Hier zijn de politiemannen de menselijke tralies van een onzichtbare gevangenis. Ze schenden je leven van alledag – plaatsen je in quarantaine. Het is een erg publieke vorm van straf die is bedoeld om mensen te ontmoedigen enig contact met je te onderhouden, en het werkt. Het Café d'El Capo was een ontmoetingsplaats voor Tunesische dissidenten. Nu is het verlaten. Mijn woning is een spookhuis geworden – men begrijpt wat dat betekent.''

Ben Ali, volgens zijn website (www.benali.tn/francais/index.html) `De Keuze van de Toekomst', had deze verkiezingen voor het eerst in de geschiedenis tegenkandidaten toegestaan: de leiders van twee van de in totaal zes legale oppositiepartijen. Zij verklaarden mee te doen ,,om bij te dragen tot het rijpen van het democratiseringsproces''. Een van hen voerde campagne onder een portret van de president en zei niet kandidaat te zijn ,,tegen Ben Ali, maar met hem''. Zij kregen weinig stemmen.

Ben Ali's partij, de Democratische Constitutionele Vergadering (RCD), won alle 148 zetels in het parlement die voor haar te winnen waren. De zes legale oppositiepartijen streden om de 34 zetels die volgens de wet voor hen gereserveerd zijn.