Geen supporter

Een echte Ajax-supporter zal ik nooit worden, besefte ik gisteravond weer eens terwijl ik in de Arena naar Ajax-FC Den Bosch (6-1) zat te kijken. In het geniep hoop ik altijd dat de bezoekende tegenstander het Ajax zo moeilijk mogelijk zal maken, zodat we een spannende wedstrijd te zien krijgen. Voor een supporter is dat een even onbegrijpelijke als verwerpelijke houding.

Ik herinner me dat ik bij de eerste thuiswedstrijd van Ajax van dit seizoen applaudisseerde toen Heerenveen de leiding nam. Het was een spontane reactie, en geen provocatie van de supporters om me heen, want zelfmoordneigingen zijn me vreemd. Men keek mij bevreemd aan. Wie was die gozer? Toch niet een verdwaalde, mogelijks zelfs uit Kollum afkomstige Friese infiltrant?

Ik heb daarna veel hartstochtelijke juichkreten bij doelpunten van Ajax moeten slaken om het wantrouwen in mijn omgeving weg te nemen. Ook het veelvuldig scanderen van `hoerenjong' aan het adres van vlekkeloos leidende (en volledig legaal ter wereld gekomen) scheidsrechters heeft mij in aanzien doen stijgen, maar zolang ik het `Joden-joden-superjoden' niet uit mijn keel krijg, blijf ik toch een twijfelgeval voor de Amsterdamse aanhang.

Daar valt mee te leven, mits die wedstrijden boeiend genoeg zijn. Dat zijn ze dit seizoen nog nauwelijks geweest, want de tegenstanders hebben te veel ontzag voor Ajax, of ze hebben eenvoudig te weinig kwaliteit, zoals FC Den Bosch. In het laatste geval zit je naar een inmaakpartijtje te kijken dat me al na een halfuur begint te vervelen. Thuis kun je zappen, maar in het stadion ben je de gevangene van je dure seizoenkaart. Ik begin steeds jaloerser te worden op de Spaanse en Italiaanse voetbalcompetities, waar de onderlinge verschillen geringer zijn en bijna elke wedstrijd `bloed aan de paal' betekent.

Maar voor de supporter van een Nederlandse topclub is de huidige situatie een zegen. Hij hoeft zich nergens meer zorgen over te maken. Er worden, vooral thuis, zelden punten verspeeld tegen veel lager geklasseerde clubs. Hij stapt op de wedstrijddag in een gespreid bedje. ,,Hoeveel wordt het vanavond?'' vroeg iemand me gisteren. ,,Zes-nul'', zei ik, en zie, mijn woord werd weer bijna helemaal waarheid.

Drie doelpunten daarvan waren trouwens afkomstig van Nikos Machlas, de nieuwe spits van Ajax. Dat was mijn enige triomfje. Ik heb nooit getwijfeld aan zijn kwaliteiten, dit in tegenstelling tot veel Ajax-supporters. Allemachtig, wat kunnen Amsterdammers toch sakkeren. Machlas kon geen goed doen. Hij had in Griekenland moeten blijven, of bij die boeren in Arnhem, daar hoorde hij. Machlas nam wraak, en voor het eerst juichte ik oprecht harder dan de mensen om mij heen.