Eindeloos veel momenten

Hij wil niet sterven, de man van tachtig die door de doktoren eigenlijk al is opgegeven. Hij wil meer behandelingen, hij wil gered worden, hij wil nog leven zo lang als het kan. Het bericht, alweer enkele weken geleden, zal wel bij menigeen dezelfde eerste reactie hebben opgeroepen als het bij mij deed: `Tachtig al. Waarom zou je je dan niet neerleggen bij het einde?' Waarom dan nog eisen dat de doktoren alles aan je doen, waarom zo ontevreden? Misschien denk je dan eigenlijk: waarom wil iemand nog leven als hij al tachtig is, en ziek. Een rare, bijna onbehoorlijke gedachte.

Als je dat denkt, `al tachtig', denk je niet aan iemand. Er verschijnt geen gezicht van een tachtigjarige, alleen maar een getal en een slordig gevoel. Zou je aan iemand denken, dan dacht je wel anders. Niet zo volautomatisch.

Admetus, de koning van Ferae, moet sterven. Hij is een nog jonge man, hij is gastvrij, hij is een gulle koning, hij is gelukkig getrouwd. En hij werd bemind door Apollo, zozeer zelfs dat die de schikgodinnen dronken voerde en van hen de belofte kreeg dat Admetus als het zo ver was, niet zou hoeven gaan als een ander vrijwillig zijn plaats zou innemen. Natuurlijk moest Apollo boeten voor deze grote overtreding, de Olympische goden hebben zich niet te mengen in het lot.

Dus als Hermes Admetus komt halen, herinnert de koning de goden aan de belofte die Apollo voor hem heeft afgedwongen. Hij zal iemand anders zoeken die zal sterven, hij zal leven. Vanzelfsprekend denkt Admetus het eerst aan oude mensen. Wat hebben die nog te leven, die hebben al zoveel gehad. Hij gaat naar zijn bejaarde ouders. In de vaste overtuiging dat ze hun leven voor het zijne zullen willen geven. Maar ze weigeren.

Het verhaal wordt erg mooi naverteld in Slangen in de kinderkamer van Leon Garfield en Edward Blishen. De moeder zegt: ,,Hij denkt dat wij, omdat we oud zijn, terugdeinzen voor elkaars aanblik; hij denkt dat we niet langer van de warmte van de zon houden, van de geur van bloemen, van het geluid van vogels die zingen. Hij denkt dat we op sterven na dood zijn.''

De moeder heeft gelijk, Admetus heeft niet aan hen gedacht, die heeft alleen maar gedacht: oude mensen. Niet aan al de dingen die het leven de moeite waard maken, de gewone dingen, de geur in huis, het frommelige groen van nieuw blad, de kleuren van de herfst, nevelsluiers in de zon, zachtjes zingen zomaar voor je uit, lachen, soezen, ademhalen, bestaan.

De tachtigjarige was echter niet, zoals Admetus' ouders, gezond. Hij was ziek. Dat maakt het anders. Ik las Onbepaald door het lot van de Hongaar Imre Kertész. Een verbluffend boek, waarin waarheden over het leven, over de wil tot leven, en over de pogingen die we steeds weer doen om het leven in eigen hand te nemen, onder woorden gebracht worden die ik nooit eerder zo las.

De hoofdpersoon is een veertienjarige joodse jongen die na de Duitse bezetting van Hongarije wordt opgepakt en op transport wordt gesteld. Eerst naar Auschwitz, dan door naar Buchenwald, dan naar een buitenkamp van Buchenwald. Dat kamp is `maar een afgelegen en armoedig geval, dat bijna iets provinciaals had'. Een stoffig terrein met prikkeldraad eromheen. Er heerst het gebruikelijke kampregime van weinig eten, werken, op appel staan, slapen. Een sleur, vindt de jongen. Later merkt hij dat die eerste tijd `de gouden tijd' is geweest, het was allemaal nog dragelijk, ze kregen wel eens iets extra's te eten, ze werden wel af en toe geslagen, maar ze waren nog redelijk sterk. Hij deed nog zijn best `een goede gevangene' te zijn. Geleidelijk aan lijken de bewakers steeds kwaaier, en tegelijk steeds mooier en sterker te worden – daaruit trekt hij de conclusie dat de gevangenen in schoonheid en kracht afnemen. Het eten wordt minder, de veerkracht neemt af, bij de jongen verdwijnt elke levenslust, elke interesse. Hij krijgt een vreselijk gezwel aan zijn knie waardoor hij niet meer kan lopen. Ziekenbarak. Operatie zonder verdoving. Vieze strozakken. Eenzelfde gezwel aan de heup. Nog een operatie. Luizen die zich in de wonden nestelen. Eén kapotte deken. Kou.

Met andere hopeloze patiënten wordt hij teruggestuurd naar Buchenwald `als het ware retour afzender'. Het vervoer gaat per veewagon. Tijdens die reis, schrijft Kertész, heeft hij een paar dingen geleerd: ,,Zo dacht ik vóór die reis bijvoorbeeld dat de uitdrukking `stoffelijke resten' uitsluitend op een overledene betrekking kon hebben, terwijl ikzelf, daaraan viel niet te twijfelen, nog leefde, al brandde mijn levensvlammetje nog maar flakkerend (-).'' Tijdens het transport verlaat zijn geest als het ware het lichaam dat daar ziek, vuil en koud op de vloer van de wagon ligt, uitgeladen en in een ijzelbui neergelegd wordt. Daar ligt het dan, het lichaam, en de jongen meent wel zeker te weten dat het binnen niet al te lange tijd niet meer zal bestaan. Hij denkt alleen nog maar aan hoe ze het zullen ombrengen hier. Hij wordt op een kruiwagen gelegd en weggereden. De kruiwagen rijdt over een hooggelegen weg en hij ziet kamp Buchenwald liggen: barakken, wegen, naakte wachtende mensen, mensen die bedrijvig bezig zijn of wat rondhangen, het gerinkel van gamellen, gevangenen die met soepketels sjouwen, zelfs ruikt hij de geur van gekookte koolraap. ,,En in weerwil van al mijn rationele, nuchtere overwegingen, ja tegen beter weten in, kon ik de zachte, verlangende, steelse, zich als het ware voor zijn eigen dwaasheid schamende maar toch koppig volhoudende stem in mijn binnenste niet negeren. Ik wilde nog een tijdje doorleven in dit mooie concentratiekamp.''

Er is iets in mensen dat het niet gauw opgeeft. Iets dat wil leven, iets dat vreugde ontleent, hoe misplaatst dat woord soms ook klinkt, aan de allereenvoudigste vormen van bestaan. Als dat boek van Kertész iets duidelijk maakt, dan is het wel uit hoe eindeloos veel momenten een leven bestaat. Niet uit iets dat je `een jaar' noemt, een jaar is het leven niet, elke minuut is het leven, elke seconde, elk uur.

Artsen wisten dat waarschijnlijk al lang, die hebben al zoveel mensen zich wanhopig aan het leven zien vastklampen. Ik, achteloze krantenlezer, realiseerde het me al lezend even niet. Maar het is altijd zo geweest, vijf eeuwen voor Christus, twintig eeuwen erna, dat we het zonlicht willen voelen, de gordijnen willen zien bewegen op de tocht, voetstappen willen horen van mensen op de gang, dat alles om ons heen almaar door ons leven uitmaakt. Die meneer van tachtig, in zijn ziekenhuisbed op de afdeling Medium Care, die zag, voelde, hoorde en hoopte nog van alles dat hem ingaf om te willen blijven leven. Hoe dan ook. Of dat leven nog een mogelijkheid is, weet ik niet. Maar dat hij het wil, ja, dat is te begrijpen.