Wintertuin

Waarom zouden we je hier niet kunnen houden?... Want nu je uit zaad bent ontkiemd tot aan het vijfde blad, hopen we dat je ons van de winter niet zult ontglippen... Als we eenmaal een dozijn van je hebben, zullen we er op een dag wel duizend hebben.' Deze woorden werden in de zestiende eeuw gesproken door Pierre Belon tot de plataan, die hij in Frankrijk geïntroduceerd heeft, maar ze zijn ook goed van toepassing op mijn citroenbomen. Niet dat ik er duizend van hoef te hebben, het is meer dat ik bezorgd ben dat ze me van de winter zullen ontglippen, iets waar op dit moment vermoedelijk wel meer mensen problemen mee hebben. Want nu staar je naar je olijfboom, boomvaren of sinaasappelboompje – of andere prijzige plant, te teer om buitenshuis een Nederlandse winter te overleven – en je vraagt je af waar de oranjerie is nu je haar nodig hebt.

De oranjerie moet zijn uitgevonden in oktober. De dagen worden korter en donkerder, de nachten zijn kouder en de zorg om de kuipplanten bereikt haar hoogtepunt; daar denk je gewoon niet aan wanneer je optimistisch je citroenpitten zaait in maart. Ik heb nu tien citroenboompjes, sommige zelfs met meer dan vijf blaadjes, die ik door deze winter heen moet slepen, en naar het schijnt nog wel meer winters, voor er enig resultaat komt: er kunnen tien jaar overheen gaan voordat uit zaad opgekweekte planten bloeien.

In The Kitchen Garden: A Historical Guide to Traditional Crops klinkt David Stuart bemoedigend: `In de tuin zijn citroenbomen in feite vrij sterk en 's winters kunnen ze gemakkelijk binnenshuis worden overgehouden in redelijk lichte kamer of gang.' Ik zou het zeventiende-eeuwse huis met lichte gangen wel eens willen zien. Het onze biedt twee mogelijkheden: de meestal onverwarmde logeerkamer, met het nadeel dat telkens alle planten moeten worden verplaatst wanneer er mensen komen logeren, of anders het tuinhuisje, waar ik vaak planten heb laten overwinteren, maar waar je gemakkelijk vergeet ze water te geven.

Een echte oranjerie, zoals die wondermooie van Daniel Marot in de Hortus Botanicus in Leiden, zou ideaal zijn. Oranjerieën hebben zowel 's zomers als 's winters een heel eigen sfeer. Vanaf half oktober staan de planten er in dichte gelederen, een pottenwildernis in rechte rijen, verplaatst per vorkheftruck. Je dwaalt ertussen door en je voelt je een indringer.

's Winters op zonnige dagen gaan de grote ramen open en dan kun je bijna zien hoe de opeengepakte planten de frisse lucht indrinken. En dan opeens, ergens in mei, zijn ze allemaal weg, verspreid in de tuin, en laten ze een gebouw achter dat zijn doel kwijt is, met een wat te hoge zoldering en een kale, plantloze aanblik. Veel oranjerieën zijn 's zomers in gebruik als theehuis of kunstgalerie, maar hun ware aard verloochent zich nooit: ze zijn net zo slecht in het verbergen van hun functie als kerken.

Oorspronkelijk was een oranjerie niet meer dan een tuin waarin sinaasappelbomen groeiden. Midden zestiende eeuw werden die populair in Noord-Europa. De bomen stonden niet in potten maar in de grond, 's winters beschermd door demonteerbare houten constructies. In Beddington, in de buurt van Londen, bevond zich de beroemdste oranjerie van Engeland, die eind achttiende eeuw nog tienduizend vruchten per jaar opbracht. In de tweede helft van de zeventiende eeuw ontstond de oranjerie als gebouw om niet-winterharde planten in leven te houden, en werd vooral populair nadat Lodewijk XIV er een liet bouwen (en later, na 1689, vergroten) in Versailles. De zijne bood plaats aan drieduizend planten: citroenen, granaatappels, mirte en laurier, en natuurlijk ook sinaasappels.

Ook in Holland had je fantastische verzamelingen van exotische vruchtbomen, hoewel misschien niet zo groot als die in Versailles. Maar Jan Commelin, die het eerste boek schreef dat uitsluitend aan het kweken van citrusvruchten was gewijd, plukte een keer op één dag tachtig vruchten van één citroenboom. Hij noemde zijn oranjerie een `wintertuin' (Nederlantze Hesperides, dat is, Oeffening en gebruik van de limoen- en oranje-boomen, gestelt na den aardt, en climaat der Nederlanden, 1676).

Elk jaar brengen wij twee laurierbomen, in fraaie houten kuipen met handvatten, naar het zomerhuisje, alias wintertuin, waar ze nauwelijks aandacht lijken te behoeven en de winter doorstaan op maar heel weinig water. Vorig jaar heb ik er ook vijf geraniums laten overwinteren, vijf planten die ik voor een tientje op de markt had gekocht. Ze bloeiden pas lang na die van alle andere mensen, en ten slotte moest ik er bijkopen om de leemten op te vullen. Ik ben er niet zeker van of het de moeite wel waard was.

De planten moeten tamelijk licht staan en mogen niet helemaal uitdrogen. Als dat gebeurt, zoals de mijne overkwam, loopt het beetje water dat ze eens per maand horen te krijgen regelrecht door de pot, zodat het de tafel doordrenkt en op de vloer loopt, zonder de aarde ook maar te bevochtigen. Dit is een van de meest irritante dingen in het tuinieren. Er bestaat ook een buiten-equivalent van, wanneer je iets nieuws plant, de aarde eromheen aandrukt en begiet, en het water van de plant wegloopt inplaats van ernaartoe.

In de hof van Eden was het vast niet zo. Ook daar moet een oranjerie zijn geweest. Hoe anders had God een appelboom uit het aardrijk doen spruiten, tegelijk met `alle geboomte dat begeerlijk is voor het gezigt en goed tot spijze', waarmee toch kennelijk sinaasappelen, citroenen en tropische vruchten worden bedoeld? Ook zou zij 's winters de mensen een bruikbaar onderdak hebben geboden en 's zomers tot theehuis gediend.