Wet van de rennende voorsprong

De apologeten van de hoge Amerikaanse beurskoersen laten niet na er telkens weer op te wijzen: de stijging op Wall Street is gezichtsbedrog. Het beeld wordt vertekend omdat maar een klein aantal grote beursfondsen erg hard is gestegen. De brede Amerikaanse markt is er beduidend slechter aan toe. De cijfers geven ze gelijk: het Dow Jones-gemiddelde heeft dit jaar ruim 13 procent gewonnen, maar de brede Wilshire 5000-index is maar 3,9 procent gestegen.

Dat geldt ook voor Europese aandelen. De top van de markt, de grootste en meest verhandelde beursfondsen, zitten in de belangrijke pan-Europese indices. De Dow Jones Stoxx 50 is daarvan hard op weg de toonaangevendste te worden. De Stoxx 50 steeg sinds begin dit jaar 9,9 procent. De marktbrede index voor Europese aandelen ging in diezelfde tijd een magere 1,1 procent omhoog. Daar zijn redenen voor: succesvolle ondernemingen groeien, en schoppen het na verloop van tijd tot de elite van de beursfondsen. En die elite vindt op basis van marktwaarde en beursomzet vanzelf zijn weg naar de belangrijke aandelenindices. Minder succesvolle bedrijven vallen na verloop van tijd vanzelf uit de belangrijke indices weg.

Omdat ze succesvol zijn, komen bedrijven uiteindelijk in de top van de beursindices. Maar het werkt ook andersom. Bedrijven zijn ook succesvol omdat ze in de leidende index zijn opgenomen.

De tijd dat grote institutionele beleggers naar eigen believen konden beleggen en nauwelijks op hun prestaties werden beoordeeld, is al lang voorbij. Elk pensioenfonds, elke verzekeraar en elk beleggingsfonds wordt door belanghebbenden beoordeeld aan de hand van een objectieve maatstaf, een benchmark. Hoewel zo'n benchmark in de regel wel wordt toegesneden op de specifieke strategie van het fonds, spelen de grote indices daar een belangrijke rol bij.

Bovendien zijn er steeds meer beleggingsfondsen die niet langer geloven in het vermogen van fondsmanagers om het beter te doen dan de beursindex, en specifiek een index zijn gaan schaduwen. De portefeuille van deze index-fondsen is een kopie van de samenstelling van de gevolgde index. Hoe meer beleggers deze strategie volgen, hoe meer vraag er is naar de in de index opgenomen beursfondsen. Dat drijft de prijs omhoog, en maakt de index succesvoller dan de brede markt. En dat noopt weer meer beleggers ertoe een index-strategie te volgen.

De manager wiens concern het schopt tot de toonaangevende index, mag dus rekenen op een hogere beurskoers. Die hogere beurskoers maakt het makkelijker kapitaal aan te trekken en om andere, minder hooggewaardeerde concurrenten over te nemen. En dat maakt zakelijk succes weer makkelijker. Europese topmanagers doen er dan ook een moord voor om in de belangrijke indices te worden opgenomen.

Wat de Stoxx-50 index betreft mag Nederland niet klagen. Maar liefst acht van de vijftig fondsen in die index zijn Nederlands: ABN Amro, Aegon, Ahold, ING, KPN, Philips, Unilever en de Koninklijke Shell Groep – zij het dat de twee laatstgenoemden evengoed Brits zijn. Zo is beursgenoteerd Nederland krachtig oververtegenwoordigd. Op basis van de marktwaarde van de Amsterdamse effectenbeurs zou Nederland in Europees perspectief eigenlijk nog geen vier fondsen in de Stoxx mogen hebben.

De acht Nederlandse Stoxx 50-fondsen zijn natuurlijk ook AEX-fondsen. Als opname in de Stoxx 50-index tot gevolg heeft dat zij nu extra aantrekkelijk zijn, dan zouden zij het dus met zijn achten beter moeten doen dan de andere 17 AEX-fondsen. Dat blijkt ook: een mandje van de acht aandelen, gewogen volgens AEX-maatstaven, presteert duidelijk beter dan de AEX-index zelf. Steeg de AEX-index zelf van eind vorig jaar tot 21 oktober met 1 procent, de `AEX-elite-index' stoof met 10,9 procent vooruit.

De acht elite-aandelen wegen samen overigens zo zwaar, dat zij een fors deel van de totale beurswaarde uitmaken. Samen zijn ze goed 59 procent van de waarde van alle aandelen die aan de Amsterdamse beurs genoteerd zijn. Drievijfde van Amsterdam is opgenomen in de Stoxx-50; behoudens Zwitserland, waar in de Stoxx 50 opgenomen reuzen als Roche, Novartis en de banken Credit Suisse en UBS de nationale beurs ook sterk domineren, zal geen ander Europees land zo'n fors deel van zijn nationale beurswaarde in de Stoxx-50 opgenomen weten.

De index-les lijkt eenvoudig: doe mee met de kudde, en koop alleen de aandelen waarvan zeker is dat alle andere beleggers ze ook willen. En dat zijn vooral de aandelen die in de grote indices zitten. Er zitten natuurlijk wel risico's aan: ten eerste is het mogelijk dat een beursonderneming uit de index verdwijnt. En dan is de val even groot als de stijging voorheen was. Bovendien heeft juist het inzetten op financiële waarden die al sterk gestegen zijn, waardoor ze nóg verder stijgen wel heel veel weg van een klassiek zeepbel-mechanisme. Dat het zowel op Wall Street als in Europa enkel nog een handjevol aandelen is dat de bull-market trekt, is op zich al reden voor enige nervositeit.

Maar tot nu toe ging het goed, heeft de markt zich gedragen volgens de Wet van de Rennende Voorsprong: wie wint wordt groot, en wie groot is wint. Wie aan de top zit, vergroot de afstand met de rest zo steeds verder. Topmanagers passen dit winner takes all-principe overigens ook plichtsgetrouw toe op de hoogte van hun eigen bezoldiging.