Vechten om een krantenwijk

Jaren geleden ontvluchtte de Soedanese journalist Mohammed Abd al-Hamid zijn land. Via Jemen trok hij naar Nederland om hier asiel aan te vragen. In een korte serie doet hij verslag van zijn wederwaardigheden in `de procedure'.

Deel twee: Begeerlijke baantjes en fatale liefdes.

De eerste dagen in het opvangcentrum waren gevuld met formaliteiten. Ik werd medisch gekeurd, geregistreerd en voorzien van een identiteitskaart en een aantal andere gekleurde kaarten voor zakgeld, eten en het twijfelachtige privilege van voorkeursbehandeling in tweedehands klerenwinkels. Het centrum bood één warme maaltijd per dag plus ƒ62 per week voor verdere maaltijden. Om je inkomen te verhogen kon je proberen schoonmaakwerk in het centrum te krijgen voor één gulden per uur.

Dergelijke baantjes waren het onderwerp van furieuze competitie onder de bewoners van het centrum, een competitie die nog verscherpt werd door de willekeur waarmee deze baantjes werden verdeeld. Een Iraakse arts die vloeiend Engels sprak berustte in zijn taak om de tuin te onderhouden, terwijl een Soedanese telecommunicatiespecialist als tolk voor de huisarts optrad en zijn vriend de tuinbouwingenieur de ramen waste.

Ik bood de coördinator mijn diensten aan als professionele tolk, maar zijn voorkeur ging uit naar mijn vriend de telecommunicatiespecialist. Mij viel uiteindelijk het geluk ten deel de ramen te mogen wassen, wat mij voorlopig vrijwaarde van minder fortuinlijke klussen als het schoonmaken van trappen en toiletten.

Een felbegeerde bron van neveninkomsten voor de eerlijke en hardwerkende asielzoeker was de krantenwijk. Een bevriende Soedanese acteur in het OC wist zo'n krantenwijk te bemachtigen. Op de eerste dag van zijn nieuwe betrekking moest hij zich 's ochtends om vijf uur op de fiets melden bij een distributeur, die hem voorzag van een lijst met adressen en een tas met kranten. Al bij het derde adres gooide hij per ongeluk de lijst met adressen in de brievenbus. Er zat niets anders op dan aan te bellen en degene die opendeed te vragen hem de lijst terug te geven. De uit zijn bed gebelde abonnee was razend en smeet mijn vriend krant plus lijst naar zijn hoofd met de mededeling dat hij hem noch zijn krant ooit nog wilde zien. De acteur verloor zijn baan maar oogstte groot succes in de Soedanese gemeenschap door het komische voorval keer op keer na te spelen.

De combinatie van gering inkomen en verveling was ongetwijfeld de oorzaak van de levendige handel die in het centrum werd gedreven. Een belangrijke bron van handelswaar waren christelijke asielzoekers die ingingen op de hardnekkige uitnodigingen van plaatselijke kerkgemeenschappen en dan terugkwamen met allerlei giften en tweedehands kleding en schoenen, die ze vervolgens aan elkaar verkochten.

Ook was er een hulpvaardige en vrome Algerijnse moslim die elke dag stipt zijn vijf gebeden verrichtte, wat hem er echter niet van weerhield om ons regelmatig een keur aan zelfgestolen jeans en fietsen te koop aan te bieden. Op mijn vraag of hij wel wist dat stelen volgens de islam een zonde is, verklaarde hij dat dat niet gold voor het bestelen van christenen: ,,De christenen hebben eeuwenlang onze landen geplunderd en God keurt het vast en zeker goed dat wij daar nu een beetje van terugnemen.''

Mijn teleurstellingen over de harde werkelijkeid van de asielzoekersindustrie, de onbarmhartige bureaucratie aan de ene kant en de leugenachtige asielzoekerscultuur aan de andere, leidden er de eerste dagen toe dat ik mij wat afzijdig hield. Tijdens een discussie met enkele landgenoten liet ik mij verleiden tot de uitspraak dat het instituut van politiek asiel door het vele misbruik niet meer functioneerde, met als gevolg dat de echte politieke vluchtelingen nergens meer heen konden.

De reactie van mijn lotgenoten was ronduit agressief. Zij begonnen mij met afkeer te behandelen als een aanmatigend persoon die zijn lotgenoten geen gelijke kans gunde. ,,Ons lot is afhankelijk van God en niet van onze documenten of beslissingen van de autoriteiten'', beet een van hen mij toe. ,,Laat ons hopen dat God ons allemaal helpt in plaats van te denken dat sommigen van ons meer rechten hebben dan anderen.'' Brede instemming was zijn deel en ik werd de rest van de dag aan mijn lot overgelaten.

Het kostte mij veel moeite om deze breuk te helen en ik zag verder af van dergelijke kritiek. Mijn situatie was al moeilijk genoeg en dit waren voorlopig de enige vrienden die ik had.

Mijn landgenoten waren duidelijk minder tolerant gestemd ten aanzien van niet-Soedanese asielzoekers, vooral ten aanzien van Afrikanen die zich voor Zuid-Soedanezen uitgaven in de hoop dat dit hun kans op asielstatus zou vergroten. Deze Nigeriaanse, Zambiaanse, Keniaanse, Ghanese en andere `nep-Soedanezen' trachtten contact te leggen met de echte Soedanezen om aldus bruikbare informatie over hun nieuwe vaderland in te winnen. De Soedanese asielzoekers ergerden zich echter aan de nep-Soedanezen, die zij als een bedreiging zagen voor hun eigen kansen, en slechts weinigen van ons toonden zich hulpvaardig. Een Nigeriaanse nep-Soedanees op onze kamer stuitte bij zijn pogingen om kennis over Soedan te vergaren op een muur van zwijgzaamheid. Toen wij later hoorden dat hij de ondervrager van de Immigratie- en Naturalisatiedienst had verteld dat hij in vijf uur van Juba in Zuid-Soedan naar de hoofdstad Khartoum was gereisd, maakten wij ons daar vrolijk over, maar voelden ons ook een beetje schuldig. Als wij wat toegeeflijker waren geweest had hij kunnen weten dat die reis in het droge seizoen al ten minste vijf dagen kost.

Een andere kandidaat-Soedanees kwam ons op een dag vragen hoe lang het duurt om per schip van Khartoum naar Rotterdam te reizen, omdat ze hem dat tijdens het gesprek gevraagd hadden. Wij moesten hem vertellen dat Khartoum in het hart van Afrika lag en dat het laatste schip dat onze hoofdstad van buiten bereikt had over de Nijl was gekomen met de oorlogszuchtige generaal Kitchener in 1898.

Er doen veel grappen de ronde over de verhalen die asielzoekers verzinnen. Zo deed het verhaal de ronde dat een Somalische asielzoeker beweerd zou hebben dat hij Nederland per kameel bereikt had. Op de vraag waar de kameel dan wel gebleven was, had hij geantwoord dat deze was teruggestuurd om zijn broer op te halen.

Er was ook een heel tragisch incident met een Nigeriaanse tiener die zich voor Zuid-Soedanees uitgaf, en die tijdens een schoolpicknick in het water viel en verdronk. Toen zijn lichaam pas enkele dagen later gevonden werd, belegde de politie een bijeenkomst van alle Soedanezen in het centrum om aldus de identiteit en het adres van de familie van de jongen te achterhalen. We kwamen allemaal, de echte èn de nep-Soedanezen, maar niemand kon de politie helpen: de Soedanezen niet omdat hij een Nigeriaan was en de Nigerianen niet omdat ze bang waren ontmaskerd te worden. Met een gemeenschappelijk schuldgevoel woonden we zijn begrafenis bij en zagen zwijgend toe hoe hem als Zuid-Soedanees de laatste eer werd bewezen en hij zijn leugen meenam in het graf.

Twee weken daarop werd onze Nigeriaanse kamergenoot op grond van zijn vermeende Soedanese identiteit gepromoveerd tot een hoger niveau in het asielzoekersproces, waarna twee Angolezen de kamer met ons kwamen delen. Het waren opgewekte kerels, maar ze spraken alleen maar Portugees waardoor de communicatie zeer moeizaam was.

Aanvankelijk werden wij geholpen door een Soedanees die een beetje Spaans sprak, maar na enkele dagen weigerde deze plotseling nog een woord met de Angolezen te wisselen, alsof zijn Spaans ineens verdampt was. Later bleek dat iemand hem had gewaarschuwd dat wanneer hij door de staf betrapt zou worden op Spaans spreken, al zijn kansen op asiel verkeken zouden zijn en hij waarschijnlijk naar Spanje of Zuid-Amerika zou worden gedeporteerd.

De enige tolk die toen nog overbleef voor onze huishoudelijke communicatie was een vrijwel permanent beschonken Zambiaan, die al naar gelang zijn staat van dronkenschap de neiging had om onze mededelingen met zijn eigen impressies te vermengen. Toen ik hem eens vroeg de Angolezen te verzoeken om ons te helpen bij het schoonmaken van de kamer, vertelde hij hun dat ik wilde dat ze onmiddellijk de kamer verlieten. De Angolezen ontstaken daarop in heftige verontwaardiging en het misverstand kon pas enkele dagen later worden opgehelderd.

Na ongeveer een week van uitputtende miscommunicatie werden wij het met de Angolezen eens dat zij beter konden ruilen met twee Soedanezen die op de eerste verdieping een kamer met drie andere Afrikanen deelden. Het was een deal die iedereen in staat zou stellen in een hem bekende taal met zijn kamergenoten te communiceren. Wij dienden het verzoek in bij de leiding van het centrum die ons beloofde de zaak in de volgende stafvergadering te zullen bespreken. Na die vergadering, die een week later plaatshad, kregen wij echter te horen dat ons verzoek niet aan bod was gekomen en tot de volgende stafvergadering was opgeschoven. Twee weken daarop werd ons verzoek zonder opgaaf van redenen afgewezen.

Het lange wachten en de verveling in combinatie met het opeengepakt zitten van zoveel verschillende culturen creëerden een broeierige sfeer waarin zowel liefde als haat welig tierden. Conflicten tussen buren over onbeduidende zaken konden plotseling uitgroeien tot kleine oorlogjes tussen verschillende nationaliteiten. Maar ook de liefde hield de gemoederen bezig. Een belangrijk onderwerp van de amoureuze fantasieën van veel mannelijke asielzoekers waren de Nederlandse vrouwen die in het OC werkzaam waren als lerares of sociaal werker.

Het moet hier worden opgemerkt dat het personeel dat zich in het asielzoekersbedrijf bezighield met onderwijs en sociaal werk over het algemeen zeer vriendelijk en behulpzaam was. Maar deze vriendelijkheid werd helaas niet altijd goed begrepen. De glimlach waarmee sommige vrouwelijke sociaal werkers en leraressen asielzoekers tegemoettraden, veroorzaakte soms grote verwarring en misverstand.

Zo raakte een jonge Irakees ervan overtuigd dat zijn Nederlandse lerares al bij de tweede les verliefd op hem geworden was: ,,Zij keek mij de hele tijd glimlachend aan en gaf me veel meer aandacht dan de anderen'', vertelde hij ons stralend. Na een lange discussie met zijn vrienden en kamergenoten besloot hij om haar zijn foto te geven, wat een krachtig symbolisch gebaar is, bekend uit vele Arabische liefdesliedjes. Toen de Nederlandse lerares hierop koeltjes, of eigenlijk helemaal niet reageerde, raakte de jonge Irakees ernstig gefrustreerd en het duurde enige tijd voordat hij weer tot zichzelf gekomen was.

Een andere jongeman uit het Midden-Oosten wist de interesse van een van de Nederlandse sociaal werksters op te wekken voor zijn muziek. Op een dag leende zij hem zelfs een gitaar en ging ermee akkoord om nog diezelde avond om acht uur op zijn kamer naar zijn spel te komen luisteren. Dolgelukkig met zijn afspraakje zweefde de jongeman terug naar zijn kamer waar zijn kamergenoten royaal toestemden in zijn verzoek om die avond hun heil een poosje ergens anders te zoeken.

De buren hoorden die avond hoe een lange reeks van gepassioneerde liefdesliedjes de kamer instroomde. Toen de voorstelling zijn hoogtepunt naderde drong gelukkig een joelende en klappende menigte muziekliefhebbers de kamer binnen, waardoor de jongeman weerhouden werd van een onvermijdelijke en noodlottige liefdesverklaring. Het Nederlandse meisje zag en hoorde dit alles welwillend aan en verliet daarop in volstrekte onschuld de kamer, zonder zich bewust te zijn van alle consternatie die zij veroorzaakt had.

Minder ambitieuze jongemannen probeerden liefdesbetrekkingen aan te knopen met de vrouwelijke asielzoeksters. Behalve de wekelijkse disco op zaterdagavond, was de meest romantische ontmoetingsplaats de grote wasserette van het OC. Vooral 'savonds hing daar een flirterige sfeer en werd tussen de stapels vuile was en het gegrom van een twintigtal wasmachines en drogers menig geheim afspraakje beklonken.

Een boomlange Ghanees knoopte in de wasserette een relatie aan met een wat oudere Armeense vrouw, die al snel het ambitieuze plan opvatte om hem de Russische taal te leren. Zij nam haar voornemen heel serieus en onderwierp hem aan een discipline van strikt gescheiden sessies voor de liefde en het taalonderwijs. Onze Ghanese vriend leek er niet echt gelukkig van te worden en liep voortdurend op zijn horloge te kijken om niet te laat te komen op de vele afspraakjes met zijn veeleisende geliefde. De leerzame romance kwam tot een vroegtijdig einde toen de lange Ghanees werd overgeplaatst naar een ander centrum.

De betrekkingen tussen geliefden van verschillende nationale groepen onder de asielzoekers, hadden hun eigen culturele problematiek. Zo stonden de Afrikanen bekend om hun overmoedige avances terwijl vooral de Arabische, Iraanse en Afghaanse mannen het als een zaak van nationale trots beschouwden om hun vrouwen van alle anderen af te schermen. De hieruit voortkomende misverstanden leidden soms tot heftige vechtpartijen in de gangen en keukens van het OC.

Wordt vervolgd

Vertaling Michel Hoebink