Postdoc blues

Nieuws uit Nederland haalt maar zelden de plaatselijke pers hier in Cambridge MA, en dan lezen wij nog wel de Boston Globe, die toch elke dag vele tientallen pagina's te vullen heeft. Maar het eerste en het tweede katern, die gewijd zijn aan het grote nationale en internationale nieuws, lijken wel voornamelijk gevuld te worden met grote advertenties voor de uitverkoop van ondergoed. Iedere week is er wel weer een ander aanleiding voor een spectaculaire aanbieding. Maar de Nobel-prijs voor Veldman en 't Hooft stond meteen in de krant en zelfs de naam van de betrokken Nederlandse universiteit was correct gespeld. Maar een foto van de winnaar kon er niet af. Dan de belangstelling voor de winnaar van de Nobelprijs voor de economie! Daar kon het patriottische hart warm bij kloppen. Bovendien werd het Nobelprijs-comité nog even op zijn nummer gezet door onze lokale scribent: het rapport van het comité had veel te weinig aandacht besteed aan het latere werk van de gelauwerde!

De colleges begonnen dit jaar laat op Harvard, pas op 21 september. Vandaar dat het seizoen van de recepties van het begin van het jaar nog in volle gang is. Iedereen is terug van weggeweest en moet na lange afwezigheid weer wat bijpraten met de enkeling die in Cambridge of omgeving heeft overzomerd; er zijn nieuwe fellows, nieuwe docenten en nieuwe graduate students en iedereen moet met iedereen kennis maken. En ondertussen vraagt uw schrijver, die al struikelend over de alomtegenwoordige eekhoorns probeert te wennen aan zijn nieuwe status als wetenschappelijke gastarbeider, zich af welke aspecten van het plaatselijke systeem nuttig en leerzaam zouden kunnen zijn ter overdenking in patria. De verleiding is natuurlijk groot om over de financiële situatie van Harvard te schrijven, maar een endowment van veertien miljard dollar (helaas niet helemaal wat de vermogensbeheerders zich hadden voorgesteld maar het leven zit nu eenmaal wel eens wat tegen) is in de Nederlandse omstandigheden zo absurd dat het weinig zinvol is de goegemeente daarmee te epateren.

Vandaar een onderwerp van een geheel andere financiële dimensie, de positie van de graduate studenten. Ook in de geesteswetenschappen is hier geen gebrek aan studenten die zich voorbereiden op een promotie. Voor mijzelf is dat dan ook een belangrijke inhoudelijke reden geweest om de overstap te maken van Leiden naar Harvard. Het aantal graduate studenten maakt een gestructureerd onderwijs mogelijk van een intensiteit die in Nederland ook door de best georganiseerde onderzoekscholen maar zelden wordt bereikt. De gemiddelde graduate student is niet bij voorbaat beter dan de gemiddelde Nederlandse aio of oio, maar hij of zij krijgt wel, zeker op mijn vakgebied (en op de aanpalende vakgebieden binnen de geesteswetenschappen voorzover ik die kan overzien) een veel bredere basisopleiding.

Dat laatste is van belang voor de graduate student want gedurende een belangrijk deel van zijn verblijf aan de graduate school zal hij of zij in haar of zijn kosten van levensonderhoud moeten voorzien door binnen het reguliere onderwijsprogramma als hulponderwijzer les te geven aan undergraduates. Ik gebruik het woord `hulponderwijzer' met opzet want dat suggereert misschien nog het beste het niveau waarop ze worden betaald - niet al te best dus. Maar om te overleven moeten de graduates wel onderwijzen, vaak over onderwerpen die ver verwijderd zijn van het thema van hun promotie-onderzoek. Het resultaat is dan ook dat ze op deze wijze al jong over een ruime onderwijservaring beschikken.

In het Nederlandse systeem krijgt de zeldzame aio of oio in de geesteswetenschappen in principe een aanstelling voor de duur van vier jaren. Sommige onderzoekscholen zijn zelfs zo royaal dat ze de student niet alleen een salaris aanbieden maar zich ook garant stellen voor de kosten van het onderzoek dat de betrokken aio zal gaan uitvoeren. Zo hoort het ook, want van de aio wordt verwacht dat hij of zij binnen vier jaar een proefschrift op tafel legt. Voor de weinige gelukkigen die zo'n aanstelling bemachtigen is het Nederlandse systeem op het eerste gezicht dan ook beter, in elk geval vriendelijker.

Maar misschien is het Nederlandse systeem wel te vriendelijk, te zacht. Zeker, de Nederlandse aio mag onderwijs geven, maar slechts voor een zeer beperkt onderdeel van zijn of haar aanstelling. Het liefst zou, volgens velen, dat onderwijs direct moeten aansluiten op het onderzoek dat de betrokken aio verricht. Daar is natuurlijk niets op tegen en die gelegenheid moet de aio ook zeker tenminste één keer tijdens zijn of haar aanstelling krijgen. Maar het onderzoek van de aio is in de regel hoogst gespecialiseerd en het eerste fase onderwijs zit zelden te springen om onderwijs over zo'n zeer gespecialiseerd onderwerp. Het resultaat is dan ook vaak dat aio's niet of nauwelijks onderwijs verrichten. Vele krachten werken tegen dat ze een taak vervullen binnen het reguliere onderwijsprogramma van de meest in aanmerking komende opleiding. Soms zijn de aio's zelf bang dat het verzorgen van dit type onderwijs hen teveel tijd zal kosten omdat het nogal wat voorbereiding zal vergen, soms wordt het hun afgeraden door hun begeleiders die het zelfde vrezen, en maar al te vaak acht alleen de zittende staf zichzelf bekwaam om een gegeven college te geven (om vervolgens te klagen over de excessieve werkdruk, maar dat is een ander chapiter).

Vervolgens doen we alles nog eens weer dunnetjes over tijdens de aanstelling als postdoc. De Amerikaanse postdoc krijgt een aanstelling van een jaar om zijn of haar maar al te vaak onder grote tijdsdruk voltooide dissertatie om te werken tot een manuscript dat ter publikatie kan worden aangeboden en moet dan weer meteen de boze wereld in. De Nederlandse postdoc heeft in de regel zijn of haar dissertatie reeds in boekvorm verspreid gezien en krijgt drie jaar de tijd om een nieuw onderzoeksproject uit te voeren. Zeker, ook een postdoc mag een beperkt gedeelte van zijn of haar tijd besteden aan het verzorgen van onderwijs, maar het is mogen, niet moeten. Veel hangt af van de persoonlijke instelling van de postdoc en van de opleiding die van zijn of haar onderwijs gebruik zou kunnen maken. Het resultaat is echter maar al te vaak dat postdocs geen of zeer weinig onderwijs verzorgen en dat het weinige onderwijs dat ze verzorgen maar al te vaak beperkt blijft tot het inmiddels nog veel verder gespecialiseerde onderwerp van hun vervolgonderzoek.

Maar intussen wordt de postdoc niet jonger en wil zij of hij wel eens af van dat bestaan van tijdelijke aanstellingen. Employability is een prachtig concept voor theoritici maar in de praktijk komt het voor de betrokkenen neer op een voortdurende onzekerheid over de toekomst. Begrijpelijkerwijs wordt die onzekerheid steeds lastiger te verdragen naarmate de biologische klok verder tikt. Maar als zich binnen de geesteswetenschappen in Nederland een enkele keer eens een vacature voordoet, wordt die lang niet altijd vergeven aan een van de hoopvolle postdocs. Want wat blijkt dan? Terwijl de postdoc zich als onderzoeker heeft ontwikkeld tot een eminent specialist op zijn of haar postzegel van een vakgebied, vergen de banen binnen de slinkende staven van de geesteswetenschappelijke opleidingen nu juist een steeds bredere inzetbaarheid in het onderwijs. En die onderwijservaring, juist ook op terreinen buiten het eigen onderzoekgebied, heeft de aio/postdoc tijdens zijn of haar opeenvolgende aanstellingen veel te weinig mogen of willen opdoen. Nu zijn er ongetwijfeld ook vele banen buiten de vrijhaven van de academie waarin een mens gelukkig kan worden, maar toch wringt er hier iets.

Vandaar dat ik denk dat het Amerikaanse systeem toch nog niet zo slecht is.

Misschien moeten we aio's en postdocs niet alleen de mogelijkheid bieden om onderwijservaring op te doen maar het zelfs van ze eisen. Persoonlijk ben ik, maar dat zal inmiddels wel duidelijk zijn, er een groot voorstander van dat die onderwijservaring inhoudt dat de betrokkenen reguliere colleges verzorgen, in verschillende werkvormen en voor verschillende jaargroepen. Natuurlijk moet er op worden toegezien dat dit onderwijs geen onevenredig beslag legt op de beschikbare tijd van de aio of postdoc maar in een goed georganiseerd onderwijsprogramma hoeft de invaller niet het hele college opnieuw te bedenken. De vrijgestelde docent kan dan de vrijgekomen tijd besteden aan eigen onderzoek. En mocht hij of zij besluiten dat onderzoek elders voort te zetten, dan staan er in alle opzichten uitstekend voorbereide opvolgers klaar.

Het bovenstaande houdt natuurlijk niet in dat het in God's own country in alle opzichten botertje tot de boom is voor de jonge doctores. De boekhandel ligt hier vol met litanieën over de teloorgang van de geesteswetenschappen. De laatste toevoegingen aan die literatuur worden overzichtelijk besproken door Andrew Delbanco in het 4 november nummer van The New York Review of Books. Veel van de besproken malheur blijkt zeer specifiek te zijn voor de afdelingen Engelse letterkunde binnen de Amerikaanse traditie van een liberal arts education. Maar een ding is wel duidelijk: ook de Amerikaanse Ph.D. met zijn of haar brede onderwijservaring vindt lang niet altijd de ideale baan. Het blijft dus tobben.

Correctie

Door een fout ter redactie is in de column van Wilt Idema (`Postdoc Blues') in W&O van 23 oktober de naam van één van de Nederlandse Nobellaureaten ten onrechte gespeld als Veldman. De juiste spelling is Veltman.