Kindercrèche in de vrieskou

The Penguins. Tekst van Tony Williams, illustraties van J.N. Davies en John Busby. Uitgegeven door Oxford University Press in de serie Bird Families of the World, 295 pp., ISBN 0-19-854667-X, prijs 35 Engelse pond.

VAN DE buitenkant is een pinguïn een pinguïn: een koddig beest met twee platvoeten, twee flippertjes en een vooral zwart-wit gekleurd verenkleed. Rode of roze snavels en – bij sommige soorten – leuke, punkige gele kuifjes voegen opvallende kleuraccenten toe. De kleinste pinguïn is de dwergpinguïn Eudyptula minor, een beestje van hooguit 40 cm en een gewicht van iets meer dan 1 kilogram. De grootste nog levende soort is de keizerspinguïn, Aptenodytes forsteri, die een hoogte van 1 meter 15 bereikt, bij een gewicht van ruim 30 kilo. Uit fossielen blijkt dat pinguïns – er zijn wel 40 soorten uitgestorven pinguïns beschreven – ooit nog groter waren. De recordhouder, zo heeft men berekend, kon een hoogte van 162 cm en een gewicht van 81 kilogram bereiken. Een mens dus.

De door Oxford University Press uitgegeven serie `Bird Families of the World' heeft sinds in 1995 het eerste deel verscheen een aantal schitterende boeken opgeleverd. Ze zijn telkens gewijd aan één enkele vogelfamilie, monografieën in de ware zin van het woord, en daardoor hebben ze een mate van diepgravendheid die vaak ontbreekt in boeken met een bredere scope. Het door Tony Williams geschreven deel over pinguïns is hier een goed voorbeeld van; al lezende verdwijnt bovendien een aantal vooroordelen als Antarctische sneeuw voor de tropenzon. Van de tegenwoordig levende 17 soorten pinguïns leven er maar twee uitsluitend op het Antarctische continent. De andere soorten zitten vooral op de vele eilanden en eilandjes in de zuidelijke wateren, en op de zuidelijke delen van Amerika, Afrika, Australië en Nieuw-Zeeland. Eén soort zit zelfs helemaal níet in de kou: de Galápagos-pinguïn leeft op de zonovergoten Galápagos eilanden, ter hoogte van de evenaar en zelfs een klein stukje ten noorden daarvan.

In dat gegeven ligt eigenlijk het meest interessante van de pinguïn verscholen: ondanks de uiterlijke eenvormigheid is hier sprake van een uiterst gevarieerde groep vogels. De één broedt de eieren uit op de woestijnachtige lava-vlakten van de Galápagos, de ander op Antarctica bij temperaturen tot -40 °C en in een snijdende wind.

Ondanks de grote uiterlijke en anatomische gelijkenis bezitten de soorten een grote verscheidenheid in gedrag, broedbiologie en leefgebied. Het een is het gevolg van het ander: door de variatie in leefgebieden (van de tropen tot Antarctica), in seizoensklimaat en in de beschikbaarheid van voedselbronnen hebben zich verschillen ontwikkeld in – vooral – broedgewoonten en broedgedrag. Slechts twee soorten broeden paarsgewijs (de geeloogpinguïn Megadyptes antipodes en de Fiordlandpinguïn Eudyptes pachyrhynchus), de overige 15 soorten doen dat in kolonieverband. Bij de ezelspinguïn Pygoscelis papua zijn zulke kolonies nog relatief klein, tot ca. 100 broedparen, maar bij o.a. de koningspinguïn en de macaroni-pinguïn kunnen de kolonies uit meerdere honderdduizenden paren bestaan. Er zitten dan broedparen op een gigantisch territoir, soms wel 2,2 tot 2,4 paren per vierkante meter, met 60 tot 80 cm tussen de afzonderlijke nesten. Als er al sprake is van een nest. De koningspinguïn maakt zelfs helemaal geen nest, de eieren worden gewoon zonder plichtplegingen gelegd en tussen de poten en de buik uitgebroed. De broedende ouderdieren zitten daarbij op zodanige afstand dat ze elkaar net niet kunnen pikken.

Als de eieren zijn uitgekomen is de zorg nog niet voorbij. De pasgeboren kuikens zijn halfnaakt en volstrekt niet in staat om de eigen lichaamstemperatuur te regelen: ze zijn feitelijk koudbloedig. Als gevolg daarvan gaat het broeden gewoon door, nu niet op het ei/de eieren, maar op het jong of de (twee) jongen. Die extra broedtijd kan twee tot zes weken duren. Na afloop ervan kunnen de kuikens zelfstandig de wereld in kijken, en worden ze ondergebracht in zogenaamde crèches (inderdaad: werkelijk niets menselijks is de pinguïn vreemd). De ouders zorgen voor het voedsel en moeten daarbij hun eigen jong telkens zien terug te vinden in de crèche. Daarbij doet zich één van de meest intrigerende pinguïn-fenomenen voor: sommige soorten, onder andere de konings- en keizerspinguïns, kennen crèches die uit vele duizenden jongen bestaan, maar toch is iedere ouder in staat om aan de hand van het geluid zijn/haar eigen kind terug te vinden. Zo wordt voorkomen dat het met veel moeite en vaak op grote afstand van de kolonie vergaarde voedsel in de keel van het kind van een ander verdwijnt.

Het boek geeft aardige voorbeelden van pinguïn-gedrag met bijna menselijke trekjes. Zo zijn pinguïns in principe monogaam, en gaan een verbintenis aan voor minimaal één seizoen, maar vaak ook voor het leven. Zo'n verbintenis eindigt door hetzij de dood van een van de partners, hetzij door echtscheiding (Williams gebruikt de wel zeer antropomorfe term divorce in dit kader).

Net als de andere delen in de serie is ook `The Penguins' onderverdeeld in een algemeen inleidend deel, gevolgd door de soortbeschrijvingen. Het algemene deel van Williams en een drietal co-auteurs leest vlot en vormt een intrigerend en af en toe zelfs spannend geheel. De leuke potloodtekeningen van de hand van John Busby vormen daarbij een echte verlevendiging en roepen ook weer onwillekeurig de parallellen met menselijk gedrag en menselijke motoriek op. Toch is het niet daarom dat pinguïns zulke boeiende dieren zijn. Een mannelijke keizerspinguïn, die geheel alleen voor het broeden zorgt terwijl zijn vrouwelijke partner op zee vertoeft, die daarbij tot wel 120 dagen achtereen moet vasten en meer dan 40 procent van zijn lichaamsgewicht verliest, en dat alles bij veel wind en temperaturen van vele tientallen graden onder nul, zo'n dier kan niet anders dan bewondering oproepen. Parallellen met menselijk gedrag zijn daarbij geheel afwezig.