Kinderarbeid blijft onrecht

Het is een ernstige misvatting te veronderstellen dat kinderen in arme landen beter wel dan geen werk kunnen hebben, menen Henk Boon en Jeanne Roefs.

In NRC Handelsblad van 19 oktober hield Theo Knippenberg van de organisatie ChildRight Worldwide een pleidooi voor het recht van kinderen op werk. In de praktijk maken kinderen in arme landen gebruik van dit `recht'. Maar met de acceptatie van het internationale Verdrag voor de Rechten van het Kind heeft nagenoeg de hele wereld onderschreven dat alle kinderen gelijke rechten hebben, of ze nu arm of rijk zijn, zwart of wit. Maar ChildRight ziet het kennelijk anders: alle kinderen hebben gelijke rechten, maar arme kinderen minder dan rijke.

Want dat is de rode draad van Knippenbergs betoog: natuurlijk heeft elk kind recht op volwaardig, verplicht basisonderwijs, maar in arme landen lijkt dat in de praktijk niet haalbaar. Veel kinderen moeten daar genoegen nemen met een soort van tweederangsonderwijs, een `niet-formeel' klasje in de avonduren, ná een lange werkdag. Natuurlijk zouden kinderen niet moeten werken, maar in arme landen is dat vaak een kwestie van overleven. Dus laten we daarom accepteren dat de kinderen werken in plaats van hun ouders. En daarom moeten we kinderen recht geven op werk. Aldus Knippenberg.

Iedereen beseft dat het onmogelijk is om binnen een paar jaar kinderarbeid uit te bannen en alle kinderen volwaardig onderwijs te geven. Maar dat is nog geen reden om je neer te leggen bij de status quo of te pleiten voor het formaliseren van het onrecht dat arme kinderen nu wordt aangedaan. In de arme landen komt dat neer op een `tweesporenbeleid': goed dagonderwijs voor de rijke kinderen en tweederangsdeeltijdonderwijs voor hun arme leeftijdgenootjes, terwijl de kinderen in de rijke landen vanzelfsprekend verzekerd zijn van goed onderwijs. Zo'n opstelling bestendigt de maatschappelijk tweedeling, binnen arme landen zelf, en tussen arme en rijke landen. De kindarbeiders van nu zijn de kansloze, vroeg opgebrande volwassenen van morgen.

De `antikinderarbeidlobby' streeft inderdaad naar een uiteindelijke uitbanning van kinderarbeid. Geen enkele Nederlandse organisatie roept echter simpel op tot een boycot van producten of bedrijven, júist om ongewenste gevolgen voor kinderen en volwassenen te voorkomen. Maatregelen tegen kinderarbeid zijn alleen effectief als ze kinderen opvang en alternatieven bieden. Vandaar dat onderwijs het beste middel tegen kinderarbeid is. We zijn daarbij absoluut niet blind voor de weerbarstige praktijk. We kennen alle problemen en risico's die de bestrijding van kinderarbeid met zich meebrengt uit eigen ervaring. We kijken bij alle projecten naar wat het beste voor het kind is en volgen een stapsgewijze aanpak. Niet-formeel onderwijs kan helpen om de kloof te overbruggen tussen de fabriek of werkplaats enerzijds en de schoolbanken van het formele dagonderwijs anderzijds.

Universeel formeel basisonderwijs is echter wel het einddoel. Dat biedt de kinderen kans op een betere toekomst. Dat beseffen ook de arme ouders in ontwikkelingslanden. Die zijn vaak zeer gemotiveerd om hun werkende kinderen naar school te sturen, zelfs al vallen daardoor in eerste instantie inkomsten weg. De belabberde kwaliteit van de openbare scholen belemmert schooldeelname en veroorzaakt kinderarbeid, veel meer dan armoede. De motivatie van de ouders om hun werkende kinderen naar school te sturen is groot. De onderhandelingspositie van de ouders op de arbeidsmarkt wordt door het wegvallen van kinderarbeid gunstiger, waardoor de lonen van volwassenen stijgen.

Knippenberg geeft niet alleen een onjuiste voorstelling van zaken, zijn betoog bevat bovendien veel incorrecte cijfers en gegevens. Hoeveel kindarbeiders er in de wereld zijn is niet te zeggen. In veel landen is alle arbeid door kinderen jonger dan vijftien jaar geheel, en in andere landen in sommige bedrijfstakken, verboden. Deze arbeid vindt dus illegaal plaats, buiten het bereik van statistici. Bovendien werken de meeste kinderen in de informele sector, die zich moeilijk in cijfers laat vangen. Gegevens zijn er dan ook nauwelijks. Het enkele jaren oude cijfer (250 miljoen) van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) is een ruwe schatting. De ILO heeft zich nog niet aan nieuwe schattingen gewaagd. Dat het aantal kindarbeiders `opnieuw is gestegen', is kortom een slag in de lucht.

En passant constateert Knippenberg een ,,verschuiving naar kinderslavernij'', waarvoor ,,goedbedoelde campagnes tegen kinderarbeid van Westerse organisaties'' verantwoordelijk zouden zijn. In Bangladesh zouden UNICEF en de ILO kinderen die werkten in de kledingindustrie de slavernij hebben ingejaagd door te pleiten voor een boycot. De werkelijkheid is geheel anders. In 1992 (en niet in 1995) kwamen inderdaad tussen de 10.000 en 50.000 (niemand weet precies hoeveel) kinderen op straat te staan toen het Amerikaanse Congres dreigde met een boycot van producten die met kinderarbeid waren vervaardigd. Omdat niet duidelijk was wat er met deze kinderen was gebeurd, heeft UNICEF juist het initiatief genomen tot een onderzoek. De uitkomsten daarvan waren aanleiding om het probleem van kinderarbeid heel anders aan te pakken. In 1995 kwamen UNICEF, ILO, de Bengaalse regering én de BGMEA (de associatie van Bengaalse exporterende kledingfabrikanten) overeen alle kinderen beneden de 14 jaar uit de fabrieken te halen en ze onderwijs en een beurs (als compensatie voor gederfde inkomsten) te bieden. Afgesproken werd dat de kinderen pas ontslagen zouden worden als er een plek voor hen was op een school. Begin 1998 waren er al zo'n 350 scholen waar bijna 10.000 kinderen stonden ingeschreven.

De ervaringen met dit project vormen de basis voor hulp aan de naar schatting 350.000 kinderen die werken in de meest gevaarlijke of ongezonde bedrijfstakken, inclusief de prostitutie en de huishouding. Meer heil valt volgens Knippenberg te verwachten van het bedrijfsleven. Ook wijst hij op de teruglopende ontwikkelingshulp. Om je als samenleving voor basisonderwijs echter afhankelijk te maken van de welwillendheid van het bedrijfsleven of van ontwikkelingshulp van rijke landen is niet de goede weg. De overheden zijn primair verantwoordelijk voor een behoorlijk stelsel van formeel basisonderwijs. Dat kost geld, maar minder dan wat veel landen bijvoorbeeld nu aan bewapening uitgeven. Goed universeel basisonderwijs en vrijwaring van kinderarbeid zijn niet alleen belangrijk voor de individuele kinderen en hun families, maar voor de samenleving als geheel. Investeringen in basisonderwijs zijn zeer rendabel. Dit blijkt onder meer uit onderzoek van de Indiase econoom en Nobelprijswinnaar Amartya Sen. Zuid-Azië is qua economische ontwikkeling de laatste decennia achtergebleven bij de landen van Oost-Azië – inclusief China – en Zuidoost-Azië, waar de overheden veel meer hebben geïnvesteerd in basisonderwijs en andere sociale basisvoorzieningen. Onderwijs verlaagt bovendien de kindersterfte, bevolkingsgroei en de kraamvrouwensterfte. Geschoolde kinderen zijn minder kwetsbaar voor kinderhandel, prostitutie of vroegtijdige rekrutering in het leger. Dergelijke feiten zijn bekend bij alle organisaties die opkomen voor kinderrechten. Behalve kennelijk bij ChildRight Worldwide, een organisatie die er voor arme kinderen andere maatstaven op nahoudt dan voor rijke.

Henk Boon en Jeanne Roefs zijn verbonden aan resp. de Landelijke India Werkgroep en UNICEF. Zij schreven bovenstaand artikel namens FNV, Kinderen in de Knel, Landelijke India Werkgroep, NOVIB en UNICEF.