Groene revolutie is de enige redding

Het is niet onaannemelijk dat tegen het einde van de volgende eeuw de wereldbevolking 10 miljard mensen zal tellen die allemaal moeten kunnen eten. De agrarische technologie is voorhanden om al die monden te voeden. De extremisten binnen de milieubeweging mogen die groene revolutie dan ook niet tegenhouden, meent Norman Borlaug.

Bijna dertig jaar geleden, in mijn dankwoord bij de aanvaarding van de Nobelprijs voor de Vrede, heb ik gezegd dat de Groene Revolutie een tijdelijke overwinning in 's mensen oorlog tegen de honger was die, als we haar geheel volvoerden, de mensheid tot het eind van de 20ste eeuw van voldoende voedsel zou kunnen voorzien. Maar indien het beangstigende voortplantingsvermogen van de mens niet werd beteugeld, zo waarschuwde ik, dan zou het succes van de Groene Revolutie maar van korte duur zijn. Dankzij de agrarische wetenschap heeft de voedselproductie tot dusver voldaan aan de gestelde vraag. Maar de bevolkingsaanwas galoppeert ontembaar verder.

Alleen al in de jaren negentig is de wereldbevolking met bijna een miljard mensen toegenomen, en in het eerste decennium van de 21ste eeuw komt daar nog eens een miljard bij. Naar verwacht zal ze in 2025 de 8,3 miljard passeren om (hopelijk) bij rond 10 miljard af te vlakken tegen het eind van de volgende eeuw. De meest fundamentele opgave waarvoor we thans staan is dus dus duidelijk: het zorgen voor de productie en eerlijke verdeling van voldoende voedsel voor onze zwaar belaste planeet. We hebben de agrarische technologie in huis – hetzij reeds beschikbaar hetzij in vergevorderde staat van ontwikkeling – om de voor de komende kwarteeuw voorziene 8,3 miljard mensen te voeden. Relevanter voor nu is de vraag of het de boeren zal worden toegestaan die technologie te gebruiken. Extremisten binnen de milieubeweging in de rijke landen lijken hun uiterste best te doen de wetenschappelijke vooruitgang te stuiten. Kleine maar prominente, zeer doeltreffend opererende en kapitaalkrachtige groepjes activisten verkondigen angstaanjagende onheilsprofetieën en houden zo de toepassing van nieuwe technologieën op, of het nu gaat om genetische manipulatie, biotechnologie of meer conventionele agrarische methodieken. Een voorbeeld is de campagne tegen genetisch gemodificeerde gewassen, door de activisten `Frankenstein-voedsel' genoemd.

Vooral zorgwekkend vind ik de elitisten die kleine boeren in de Derde Wereld, vooral in Afrika ten zuiden van de Sahara, het gebruik willen ontzeggen van de conventioneel verbeterde zaden, meststoffen en gewasbeschermende chemicaliën waardoor de rijke landen zich volop verkrijgbare en betaalbare voedingsmiddelen kunnen permitteren, een weelde die op haar beurt hun economische ontwikkeling heeft versneld.

Terwijl de rijke landen best meer kunnen betalen voor voedsel dat is geproduceerd volgens zogeheten `organische' methoden, kunnen de chronisch ondervoede mensen in landen met lage inkomens en voedselschaarste dat niet. Er is niet genoeg `organische meststof' om het voedsel voor de huidige 6 miljard mensen te produceren. Om het equivalent van de benodigde 80 miljoen ton stikstofverbindingen in de vorm van mest te produceren zouden we de mondiale veestapel moeten vermeerderen tot 5 à 6 miljard stuks.

We moeten natuurlijk verantwoord met het milieu omgaan. Ik ben altijd voorstander geweest van wat we vroeger `geïntegreerde landbouw' noemden en wat nu `duurzame landbouw' heet – zodanig gebruik van het land zodat zoveel mogelijk mensen er zo lang mogelijk zoveel mogelijk nut van hebben. Maar het hedendaagse extremisme is gevaarlijk verblind. En het meest zorgwekkende is dat het inspeelt op gebrek aan kennis over de biologische complexiteit van de voedselteelt bij het grote publiek in de rijke samenlevingen – inmiddels geheel verstedelijkt en zonder enige binding met het land – een `kenniskloof' die steeds breder wordt door de snelheid waarmee genetica en plantaardige biotechnologie voortschrijden. Een tweede grote opgave voor de volgende eeuw is dan ook een vernieuwing en verbreding van het biologie-onderwijs – vooral in het lager en middelbaar onderwijs en de eerste jaren van het hoger onderwijs – die met haar tijd meegaat. Nergens is het zo belangrijk vrees uit onkunde te bestrijden met kennis, als waar het gaat om deze kernactiviteit van het mensdom: de voedselproductie.

Het nodeloze consumentenverzet tegen de toepassing van transgenetische technieken in de landbouw, een verzet dat wijdverbreid is in Europa en groeiende in de Verenigde Staten en Azië, had met gedegen voorlichting over genetische diversiteit en variatie voorkomen kunnen worden. We kunnen de klok nu eenmaal niet terugdraaien en slechts methoden gebruiken die zijn ontwikkeld om een veel geringer aantal mensen te voeden. Het heeft zo'n 10.000 gekost de voedselproductie te vergroten tot de huidige omvang van rond vijf miljard ton per jaar. We hebben tot 2025 om die hoeveelheid vrijwel te verdubbelen en dat kan alleen wanneer boeren overal ter wereld toegang hebben tot moderne hoogrenderende teeltmethoden en ingrijpende biotechnologische vernieuwingen.

Genetisch gemodificeerd organisme' (GGO) en `genetisch gemodificeerd voedsel' (GMV) zijn dubbelzinnige en vage termen die sterk hebben bijgedragen tot de opschudding over het gebruik van transgene gewassen – gewassen uit zaden die de genen van andere biologische soorten bevatten. Maar lang voordat de mens planten ging kweken, deed moeder Natuur dat al. De tarwe-variëteiten die thans in een groot deel van onze voedselbehoefte voorzien zijn het gevolg van natuurlijke kruisingen tussen verschillende grassoorten. Moderne broodtarwe is ontstaan uit drie verschillende plantengenomen van elk in totaal zeven chromosomen. De meest primitieve tarwesoorten worden `diploïden' genoemd en groeien nog altijd in het wild in hun gebied van herkomst in het Midden-Oosten. Al voordat de mens de landbouw uitvond, kruiste diploïde tarwe zich met een andere wilde grassoort, met als resultaat het eerste belangrijke handelstarwe, nu bekend als `tetraploïde': de zogeheten `harde' of durum-tarwe waarvan pasta wordt gemaakt.

Deze tarwe dateert al uit de tijd van de Soemeriërs, 3500 v.Chr. en was tot ver in de Romeinse tijd de voornaamste handelstarwe. Toen zijn de tetraploïden ergens – niemand weet waar – gekruist met een andere wilde grasoort, waardoor de broodtarwesoorten ontstonden waarvan wij thans gegist brood bakken. Wat waarschijnlijk is gebeurd is dat een lichte vorst het stuifmeel op de meeldraden heeft gedood maar de vrouwelijke stempel niet. De geveerde stempel stak buiten het bloempje uit en ving het stuifmeel van een andere plant op. Zo ontstond een nieuwe soort: `genetisch gemodificeerd' voedsel van moeder Natuur. Daarmee zijn de broodtarwesoorten die goed zijn voor 98 procent van de thans geteelde tarwe `transgeen'. Dankzij de ontwikkeling van de wetenschap in de afgelopen twee eeuwen weten we nu zoveel van plantengenetica en plantenteelt dat we opzettelijk teweeg kunnen brengen wat moeder Natuur voorheen zelf toevallig of opzettelijk deed. Genetische modificatie van gewassen is geen hekserij; het is, net als gewone teelt, het gebruik van natuurlijke mechanismen met als doel de mensheid te voeden.

De afgelopen zeven decennia heeft de plantenteelt enorme aantallen verbeterde variëteiten en hybriden opgeleverd die geweldig hebben bijgedragen tot vergroting van de opbrengst per hectare en tot de stabiliteit van oogsten en de inkomens van de boeren. Maar een belangrijke vergroting van het maximale genetische opbrengstpotentieel van tarwe en rijst is uitgebleven sinds de dwergvariëteiten die in de jaren zestig en zeventig de Groene Revolutie hebben ingeleid. Om te voldoen aan de snel groeiende voedselbehoefte van de bevolking zal men naar nieuwe, geëigende technologieën moeten zoeken om de graanopbrengsten te vergroten. Recente ontwikkelingen in de dierlijke biotechnologie hebben het Boviene somtatropine (BST) opgeleverd dat nu wijd en zijd wordt gebruikt om de melkproductie te verhogen. In uitgestrekte arealen groeien thans transgene variëteiten en hybriden van katoen, maïs en aardappelen die genen bevatten van Bacillus thuringiensis, die effectieve bescherming bieden tegen een aantal zeer schadelijke insecten. Het gebruik van deze variëteiten beschermt de gewassen terwijl de behoefte aan besproeiing of bestuiving met insecticiden sterk vermindert.

Grote vooruitgang is ook geboekt bij de ontwikkeling van transgene katoen, maïs, koolzaad, soja, suikerbiet en tarwe wat betreft de tolerantie van de plant voor een aantal onkruidverdelgers. Dit kan leiden tot vermindering van het gebruik van verdelgers doordat moment en dosering veel preciezer uit te meten zijn. Ook de ontwikkeling van transgene planten voor bescherming tegen virus- en schimmelinfecties, vooral bij toepassing van genen voor een `viruswerend eiwitlaagje' in transgene aardappel- en rijstvariëteiten. Uiteraard leidt de vermindering van gewasschade door onkruid en ongedierte tot vermeerdering van de opbrengst. En tot slot hebben voorlopige experimenten aangetoond dat ingebrachte genen van bepaalde soorten gewassen beter bestand kunnen maken tegen droogte.

De mondiale voedselproductie bedraagt thans zo'n vijf miljard ton per jaar. Als de wereld-voedselvoorraad in 1994 gelijkelijk verdeeld was, zouden 6,4 miljard mensen een toereikend dieet van 2.350 calorieën per dag hebben ontvangen – zo'n 800 miljoen mensen meer dan de toenmalige wereldbevolking. Echter, om in de verwachte voedselvraag te voorzien moet de gemiddelde opbrengst in alle categorieën granen tussen nu en 2025 met 80 procent groeien. Met de thans beschikbare technieken kunnen de opbrengsten in een groot deel van het Indiase subcontinent, Latijns-Amerika, de vroegere Sovjet-Unie en Oost-Europa nog worden verdubbeld, terwijl ze in Afrika ten zuiden van de Sahara met 100 procent tot 200 procent kunnen groeien – mits er politieke stabiliteit is, het ondernemingsklimaat liberaal is en de voor de productie benodigde middelen aan de boeren zelf beschikbaar worden gesteld. De winst van de opbrengst in het geïndustrialiseerde deel van Noord-Amerika en West-Europa zal veel moeilijker zijn gezien de hoge opbrengsten die daar al worden gehaald. Echter, naarmate de genetische manipulatie doorzet, zouden ook hier de komende 25 jaar tot 20 procent hogere opbrengsten mogelijk kunnen worden.

Het meest beangstigende vooruitzicht wat de voedselvoorziening betreft ziet men in Afrika bezuiden de Sahara, waar het aantal chronisch ondervoeden tot honderden miljoenen dreigt op te lopen als de huidige dalende tendens in de voedselproductie per hoofd van de bevolking niet wordt omgebogen. De toenemende bevolkingsdruk, extreme armoede, ziekten en gebrekkige gezondheidszorg, slecht onderwijs, een arme bodem, een onzekere regenval, veranderende patronen in land- en veebezit en een slecht ontwikkelde infrastructuur – al deze factoren samen maken agrarische ontwikkeling buitengewoon moeilijk.

Ondanks deze moeilijkheden kunnen tal van elementen die in Azië en Latijns-Amerika met succes zijn toegepast in de jaren zestig en zeventig echter ook in Afrika bezuiden de Sahara een Groene Revolutie tot stand helpen brengen. Behalve een effectief systeem voor de distributie van moderne grondstoffen – zaden, meststoffen, gewasbeschermende chemicaliën – moet er ook een open markt komen. Gebeurt dat, dan kunnen boeren die nu voor eigen gebruik telen, meer dan 70 procent van de bevolking in de meeste landen in die regio, de kans krijgen hun eigen bevolking te voeden.

Is er dan geen nieuw landbouwareaal beschikbaar? De uitgestrekte zure-grondgebieden in de Braziliaanse cerrado (savanne) en de llanos van Colombia, Venezuela, Centraal- en Zuidelijk-Afrika en Indonesië horen tot de laatste grote stukken onontgonnen maar ontginbaar land. Zoals in het geval van de Braziliaanse cerrado zijn deze gebieden nooit bebouwd omdat de bodem er al verschraald was lang voordat de mens op aarde verscheen. De bodem is hier sterk verzuurd en bevat toxische hoeveelheden aluminium. Recente, verbeterde gewas-behandelingssystemen opgebouwd rond kalken en bemesten voor herstel van het gehalte aan voedingsstoffen, meerslagstelsels en minimale grondbewerking, hebben dit land productief gemaakt. Ook worden hier nieuw ontwikkelde soja-, maïs, rijst- en sorghumvariëteiten met een hoge tolerantie voor aluminium verbouwd. In 1990 werd 20 miljoen ton regen-gevoede gewassen geteeld op 10 miljoen hectare (uit een totaal potentieel areaal van 100 miljoen hectare). Naar verwacht zal de voedselproductie in de cerrado in 2010 zijn opgelopen tot 98 miljoen ton, viermaal zoveel als in 1990.

Aan het slot van de milieutop van Rio de Janeiro in 1992 boden meer dan 400 wetenschappers de aanwezige staatshoofden en regeringsleiders een petitie aan. Die petitie is inmiddels door duizenden wetenschappers ondertekend, ook door mij. Ik citeer uit de laatste alinea: ,,De grootste dreigingen die onze aarde belagen zijn onwetendheid en onderdrukking, en niet wetenschap, technologie of industrie, die instrumenten creëren welke bij doeltreffend gebruik onmisbaar zijn voor het tegengaan van overbevolking, hongersnoden en ziekten in de hele wereld.'' Landbouwdeskundigen en beleidsmakers hebben de morele plicht onze leiders in de politiek, in het onderwijs en in de godsdienst te wijzen op de omvang en de ernst van de problemen waarvoor de schaarste aan bouwland en voedsel en de bevolkingsaanwas ons de komende jaren zullen plaatsen. Ook moeten wij hen onder ogen brengen welke indirecte effecten de reusachtige omvang van de menselijke bevolking heeft voor het leefgebied van talrijke wilde plant- en diersoorten, die daardoor dreigen uit te sterven. Doen wij dit niet, openlijk en onomwonden, dan dragen we bij aan de dreigende chaos als gevolg van ontelbaar veel miljoenen doodhongerende mensen. Dit probleem zal niet vanzelf verdwijnen; door het te blijven negeren maken we het voor de toekomst des te moeilijker een oplossing te realiseren.

Dr. Norman Borlaug is landbouwkundige. Hij ontving in 1970 de Nobelprijs voor de Vrede voor zijn werk in India en Pakistan. Hij stond aan de basis van de Groene Revolutie in de landbouw. Sinds 1985 is hij als directeur van het Carter Center verbonden aan het Sasakawa-Global 2000 Program dat de gewasopbrengst, het transport en de verspreiding van voedsel in Afrika wil bevorderen.

©1999 NPQ