Gras en een hoedje

Johan Cruijff balsemde de wonde: ,,Het gras is te stroef, dan gaat het hobbelen. Vossen en Kalou komen er niet meer langs.''

Leo Beenhakker was dankbaar voor het excuus. Ook hij had een extra-sportief vangnet: ,,We hebben tegen onszelf gespeeld. Als je het over vorm hebt, heb je het over de vraag: hoe staat het hoedje vanavond.''

Gras en een hoedje.

Waarom niet meteen de dichter Jean Pierre Rawie citeren? Het leven volgt een bitter spoor/langs onverbiddelijke lijnen/en wat ik aanzag voor het mijne/was niet van mij en ging teloor. Woorden gekruld als het pochet van Mart Smeets – het kan tegenwoordig allemaal op het theatrale avondje Champions League. Zelfs in de gevallen dat er niets aan te merken is op het leven, de liefde, het gras en de vorm is er toch de vergankelijkheid: Glasgow Rangers-PSV: 4-1.

Zou het nog goed komen met Van Vossen en Kalou, met het gras en de vorm? Of is de malaise bij Feyenoord structureel? Zelfs Rotterdammers – geoefend in minderwaardigheid – kunnen niet blijven zeuren over randverschijnselen.

Meer nog dan het armetierige spel van Feyenoord baart de ambiance in de Kuip me zorgen. Vorig jaar zag en hoorde je dat Feyenoord een bedrijf was, nu lijkt het wel een geloofsgemeenschap die zich neerlegt bij de leegloop van de kerk. In het kampioenenjaar was Jorien van den Herik zowat de personificatie van de middagduivel. Voor het avond werd, wist je: de Feyenoordpreses heeft bonje. Is het niet met de KNVB dan is het wel met de NOS, met Canal+, met de legioenen of met Nicole Edelenbos. Van den Herik was de ridder van de barricade, nu zie je hem alleen nog in een mobiele telefoonadvertentie. Als een heer van de wereld, maar niet meer van Feyenoord.

Leo Beenhakker is aan een gelijkaardige verduistering onderhevig. Hij puft en paft, blaast en koketteert, maar de scherpte van zijn dialectiek is weg. De coach van Feyenoord is nog net niet verskyboxt, maar veel scheelt het niet. Beenhakker spreekt in termen van de staatsraison, niet meer in peptalk. Hij lijkt getranscendeerd naar een hogere wereld waar niet meer in punten, maar in morele categorieën van vrede, allianties en profijt wordt gedacht. Feyenoord ligt hem nog wel nauw aan het hart, maar het land staat voorop. Zo ontembaar als het klamme zweet op een tropische tarmac langs de broekspijpen omhoogklimt, zo defaitistisch ondergaat de coach de vrije val van zijn club. Na elke wedstrijd hoor je hem denken: ach, wat betekent nou een regionale dip in het Europa der volkeren? Beenhakker is staatsman geworden. Eminence blonde.

De vedetten van Feyenoord zijn eveneens Europa-ziek. Jean-Paul van Gastel, Bert Konterman en Kees van Wonderen consumeren de napijn van een gemiste transfer naar Rome, Madrid en Turijn. Ze staan verdroomder op het veld dan hun talent. Dan verliest de vrije trap toch iets van zijn raffinement, de tackle iets van zijn scherpte, het positiespel iets van zijn dimensie. Nog is er de wil om te winnen, maar het hoofd volgt de benen niet. Het hoofd barst van de klaagzangen om de verloren tijd.

Natuurlijk wordt Feyenoord de huidige crisis weer de baas. Maar niet zonder een ander bestuur, zonder een andere coach en zonder een nieuw type spelers. Juist werkvoetbal schreeuwt om hiërarchie. Om een chef die de ziel van de knechten tot op de bodem weet uit te putten. Het is dramatisch dat uitgerekend de speler die de kleuren van de club niet draagt – Dudek – nog zowat de enige is die de razernij van de liefde kent.

Het gras en het hoedje zijn te wazige metaforen om de crisis van Feyenoord te verklaren. Er is meer aan de hand. Maar niemand articuleert de ware oorzaken van de crisis. Feyenoord bevindt zich in de staat van het interregnum. In voetbal betekent dit: in staat van ontbinding. Beenhakker had ongelijk: de ploeg speelt niet tegen zichzelf, ze speelt tegen de eigen organisatie. Die met een air van: de toekomst ligt achter ons, van wedstrijd naar wedstrijd sjokt. Bestuur, trainers en spelers zijn lui in de liefde geworden. Het hart doet niet meer mee. Een ziek hart opereer je of het gaat dood.