Fiscaal gelijk met een getuige

Bij de belastingaangifte mag je sommige uitgaven aftrekken als je ze aannemelijk kunt maken, bijvoorbeeld met bonnetjes. Maar papier is niet altijd nodig. Van horen zeggen is soms ook goed.

Het opvoeren van aftrekposten behoort tot de aangenamere kanten van het invullen van het aangiftebiljet. Maar het onderbouwen van de aftrekposten door het ordenen van een schoenendoos met bonnetjes, loopt soms op een fiasco uit. Velen weten niet dat ze een geclaimde belastingaftrek ook zonder papier overeind kunnen houden. Dat kan bijvoorbeeld met getuigen, zelfs al vraagt de inspecteur uitdrukkelijk om documenten.

Een hoofdregel van het belastingrecht is, simpel geformuleerd, dat de inspecteur de inkomsten moet bewijzen en de belastingbetaler zijn aftrekposten. De inspecteur heeft het makkelijk omdat hij kan terugvallen op de jaaropgaven die werkgevers, uitkeringsinstanties, verzekeraars en banken hem automatisch toesturen. Op die manier kent hij bijvoorbeeld ook de hoogte van de betaalde hypotheekrente. Dat geeft de fiscus al een zo compleet beeld van iemands financiële situatie dat de belastingbetalers in het begin van de volgende eeuw een belastingaangifte ontvangen die de Belastingdienst alvast heeft ingevuld. Alleen de aftrekposten en inkomsten waar de fiscus geen weet van heeft, moet men zelf toevoegen. Tot het zover is moet men het aangiftebiljet zelf invullen. Wie dat vertikt, krijgt toch een aanslag en wel naar een inkomen dat de inspecteur geschat heeft. Dan is het de taak van de belastingbetaler te bewijzen dat het veronderstelde inkomen te hoog is.

Wie in zijn belastingaangifte een aftrekpost opneemt, hoeft niet meteen alle bewijsstukken bij te voegen. In de meerderheid van de gevallen accepteert de inspecteur ongezien de opgevoerde aftrekposten. Als de inspecteur meer wil weten, kan dat verschillende gronden hebben. De betrokkene kan bij een steekproef uit de grote massa gevist zijn. Het kan ook zijn dat de inspecteur een oogje op de betrokkene heeft wegens eerdere onjuistheden in een aangifte. Daarnaast besteedt de fiscus elk jaar extra veel aandacht aan één bepaalde aftrekpost. Die wisselt van jaar tot jaar. Op welke aftrekpost de keuze valt, maakt de fiscus bekend voordat hij de aangiftebiljetten verstuurt. Bij het invullen van de aangifte kan men daar dus rekening mee houden. Het roept evenwel vragen op als de dan opgegeven kosten opeens veel lager zijn dan die van het vorige jaar. Dan zal de inspecteur een onderbouwing van de aftrekposten van de vorige jaren vragen.

Ook dan geldt de mogelijkheid een aftrekpost (mede) te onderbouwen met getuigen of statistieken. In het belastingrecht geldt namelijk de zogenoemde vrije bewijsleer. Dat betekent dat men met alle denkbare middelen de juistheid van de aftrekpost mag aantonen. Schriftelijk bewijs is doorgaans het makkelijkst. Bij de giftenaftrek is schriftelijk bewijs zelfs verplicht. Daarbuiten kan bijvoorbeeld een invalide met een mondelinge verklaring van de buren bewijzen dat hij een bepaalde aftrekbare verbouwing in zijn huis heeft laten uitvoeren. De inspecteur verlangt in zo'n geval al snel een rekening van een aannemer, maar in de vrije bewijsleer mag men ook andere wegen bewandelen. De aanschaf en prijs van een aftrekbaar boek kan men ook onderbouwen met de verklaring van iemand die er naast stond toen men het boek kocht. Van belang is daarbij dat men de aftrekpost niet hoeft te bewijzen (dus onomstotelijk presenteren) maar kan volstaan met het aannemelijk maken van de uitgave. Zo is het op voorhand aannemelijk dat aan een studie zekere literatuurkosten verbonden zijn of dat men bij een bepaalde ziekte met kosten voor medicijnen wordt geconfronteerd. Als de inspecteur de belastingbetaler niet gelooft, kan deze zich ook zonder de gevraagde bonnetjes tot de rechter wenden.

Het lastigste bewijsprobleem schuilt in de praktijk in het autokostenforfait. Voor mensen met een auto van de zaak is het heel voordelig om aan te tonen dat zij die auto niet voor privé-ritten gebruiken. Het best kan men daarvoor een kilometeradministratie bijhouden. Lacunes daarin kan men opvullen met andere documenten, zoals een agenda, maar ook door getuigenverklaringen.

Mondelinge verklaringen van derden zijn onontbeerlijk als men een parkeerheffing moet nabetalen voor een parkeerfout die begaan zou zijn op een moment dat men met de auto ergens anders was. Het is een bekend probleem dat kentekens worden nagemaakt om vervolgens te worden gebruikt op een auto van dezelfde kleur en hetzelfde type ergens anders in het land. Hier zijn tal van voorbeelden bekend van door de rechter ongeldig verklaarde aanslagen op basis van getuigenbewijs. Daarnaast zijn er ook uitspraken waarbij de rechter de aanslag ondanks getuigenverklaringen handhaafde. De vrijheid in de fiscale bewijssfeer kan zich namelijk ook tegen de belastingbetaler keren: de rechter kan fraai ogende documenten en klinkende getuigenverklaringen naast zich neerleggen als hij ze niet voldoende overtuigend acht.

Men moet zelf met de getuigen op de proppen komen. In eerste instantie kan dat aan de hand van een schriftelijke verklaring van de betrokkene. Maar als de inspecteur een cruciale verklaring onvoldoende overtuigend vindt, kan men het beste de getuige in persoon meenemen naar het belastingkantoor of naar het gerechtshof. In dat laatste geval kan men verlangen dat de rechter de getuige onder ede hoort. De bedreiging van een straf bij een meinedige verklaring geeft een dergelijke getuigenverklaring meer kracht. Men moet wel vooraf aan de rechter duidelijk kunnen maken wie op de zitting als getuige gehoord zou moeten worden en wat deze persoon zou kunnen verklaren. De inspecteur is dan natuurlijk ook aanwezig en kan vragen aan de getuige stellen. Met anonieme getuigen bereikt men in fiscale procedures niets. Voor het overige kunnen getuigenverklaringen een doorslaggevende aanvulling vormen op documenten die ontbreken of die de inspecteur niet overtuigend genoeg vindt.