De Britannica

De Britannica op Internet, gratis. Dat zijn twee revoluties in vijf woorden. De eerste editie is verschenen in 1768. De delen die ik raadpleeg zijn verschenen aan het einde van de jaren vijftig. Altijd denk ik even aan Aldous Huxley die iedere dag voor het slapen gaan even in de Britannica las, in een willekeurig deel op een willekeurige plaats. Als hij iets had getroffen wat hem beviel, bleef hij lezen, want dat is een charme van de encyclopedie: van het een komt het ander. Je ontwikkelt lievelingsonderwerpen, en als je er vroeg mee begint, gaan die je leven lang niet verloren.

Nu weer merk ik het door de zo goed als gave mammoet die in Rusland is opgegraven, terwijl – of de duvel ermee speelt – op Madagascar een saurus van een paar miljoen jaar oud door kinderen is aangetroffen. Het brengt me terug tot de vijfde druk, de zestien delen van de Winkler Prins, verschenen tussen 1932 en 1938. Het eerste deel gaat van A tot Araxes, het tweede van Arbeid tot Beenzwart, het derde van Beer tot Botsing, en het vierde van Botta tot Chibcha (machtigste volk van Zuid-Amerika voor de komst van de Europeanen). In dit deel heb ik, toen ik een jaar of acht, negen was, de voorwereldlijke dieren ontdekt. Eerst de Brontosaurus, 24 meter lang. Daarna kwamen de Diplodocus, de Inguanodon en de Tyrannosaurus Rex. Het werd een kleine verslaving die, bij wijze van spreken, geëindigd is in de roes van de vervulling toen ik een paar jaar geleden Jurrasic Park zag. De oorzaak is Winkler Prins.

In deel vier van de vijfde druk staat bij Chevalier, Sulpice Guillaume (1804-1866) een illustratie die me tot de dag van vandaag, ja, laat ik het misbruikte woord eens goed gebruiken: fascineert. Een mannetje met een geweldige bos haar, een grote spitse neus, in volle ren op zijn spillebeentjes. Chevalier is een van de geniale Franse tekenaars uit het begin van de vorige eeuw. Hij is beter bekend onder zijn pseudoniem: Paul Gavarni. Aan hem moest ik toevallig gisteren weer eens denken toen ik in deze krant, de bijlage Profiel, over de jacht las. Ik miste de bijdrage van een tegenstander van dit tijdverdrijf. Daarom laat ik nu even de schrijver Jules Hetzel, tijdgenoot van Gavarni aan het woord, liever gezegd, een oude haas die zijn verhaal aan Hetzel heeft gedaan. `Op een ochtend, na de hele nacht door het veld te hebben gerend en braaf op tijd in mijn moeders leger te zijn gaan slapen, werd ik wakker van twee donderslagen en een afgrijselijk geschreeuw. Mijn moeder lag zieltogend op de grond... vermoord! In die ene seconde had ik geleerd wat een geweer, wat rampspoed, wat de Mens is. En haar dood was nog maar het begin. Een koninklijke jachtpartij, dat was het. Een slachtpartij, de godganse dag. Overal lijken, overal bloed. Op het kreupelhout, op de platgetrapte bloemen... Vijfhonderd doden op één dag!'

Zo zien we waartoe de lectuur van de encyclopedie kan leiden. En nu de Britannica gratis op Internet. Moeten we er blij mee zijn? Ja, en misschien niet. Ja, omdat je niet overal een paar tiental delen achter je aan kunt slepen. Ben je in een beschaafde stad en je wilt weten hoe je iemands naam spelt, en alle andere bijzonderheden, dan kun je een boekwinkel binnenlopen, of de bibliotheek om het op te zoeken. Maar probeer eens in Reno, Nevada, iets over de eerste jaren van de Nederlandse Spoorwegen te weten te komen: of het Laantje van Van der Gaag tussen Haarlem en Amsterdam of tussen Den Haag en Delft lag. Ik moest het weten (voor een stukje dat ik daar aan het schrijven was), en gokte verkeerd. Kreeg een boze brief van een lezer: of ik niet wist dat! Enz. Die lezer is de enige die ik boos heb geantwoord.

Met de Britannica en straks misschien onze WP op Internet zal me zoiets niet meer overkomen. Maar gratis? Dat wekt achterdocht. Want wie betaalt het dan? Adverteerders. Goed, de krant wordt ook voor een deel door adverteerders betaald. Maar in de meeste kranten zie je nog duidelijk het verschil tussen een advertentie en een hoofdartikel. Bij de televisie weet je het soms niet meer.

Op de website van de Britannica zul je, als het goed gaat, van alles en nog wat te zien krijgen voor je aan het onderwerp van je verlangen komt. Maar dat voltrekt zich in je laptop die dunner is dan één deel. En ik geef toe, het is een beetje flauw om er nu nog mee aan te komen, maar als je bijvoorbeeld bij Triceratops kijkt, zal er dan niet staan: zie Jurassic Park, en daar weer: zie Spielberg?

U zult zeggen: aan dit stukje zit kop noch staart. In zekere zin hebt u gelijk. Dat hangt samen met het onderwerp. De kop en staart van de encyclopedie hebben we alleen te danken aan onze voorouders die het alfabet nu eenmaal zo hebben ingericht. Maar uiteindelijk gaat het hier over de vraatzucht van het monster van de vrije markt, een triceratops die zijn gelijke nog moet vinden.