DAAR BUITEN LOOPT EEN SCHAAP

Niet het aantal uren slaap, maar de kwaliteit van die nachtrust bepaalt de uitgeslapenheid van kinderen en hun oplettendheid op school. De zorg om het aantal uren slaap is een typisch modern verschijnsel. Vroeger maakte niemand zich zorgen om slaap.

HOE LANG kinderen slapen heeft geen effect op hun concentratievermogen of op hun schoolprestaties. Wel van invloed is de kwaliteit van de kinderslaap. Kinderen die 's nachts vaak wakker worden, er lang over doen voordat ze inslapen, moeite hebben met opstaan èn het gevoel hebben `slecht' te slapen, hebben veel minder motivatie om te presteren op school dan klasgenoten die geen moeite met slapen hebben. Ze hebben ook een negatiever beeld van hun functioneren op school. In het algemeen slaapt bijna zestig procent van de kinderen – naar eigen zeggen – altijd `goed', vijf procent slaapt `niet goed'. Een kwart van de kinderen komt naar eigen zeggen `niet uitgeslapen' op school.

Dit blijkt uit een onderzoek door drie Amsterdamse psychologen (A.M.Meijer, H.T. Habekothé en G.L.M. van den Wittenboer) onder 449 kinderen in groep 7 en 8 van in totaal zeven Nederlandse basisscholen (Nederlands Tijdschrift voor de Psychologie, juni 1999). De kinderen werden klassikaal vragenlijsten afgenomen over hun `slaapgedrag', het functioneren op school en over psychische en lichamelijke klachten. Ook werd hun concentratievermogen getest. De kinderen in het onderzoek waren gemiddeld elf jaar en drie maanden oud. De daadwerkelijke schoolprestaties zijn niet gemeten.

Als slaapduur werd beschouwd de periode tussen het tijdstip waarop een kind in bed ligt en het moment waarop het wakker wordt. Op schooldagen sliepen de kinderen ongeveer 10 uur. Ze zeggen `in het algemeen' op schooldagen gemiddeld 10 uur en een kwartier te slapen, maar op de dag voorafgaande aan het onderzoek (dat nooit op maandag werd gehouden) sliepen de kinderen naar eigen zeggen maar gemiddeld 9 uur en 40 minuten. Sommigen zeiden die nacht zelfs maar vijf uur te hebben geslapen, anderen haalden 12,5 uur.

Zeventien procent van de kinderen meldt dat ze onmiddellijk in slaap vallen, twintig procent doet er `heel lang' over en de rest blijft `nog even wakker'. Vijftien procent wordt nooit 's nachts wakker, negentien procent ontwaakt `vaak' midden in de nacht. Ruim tweevijfde van de kinderen heeft moeite met opstaan.

Op het concentratievermogen bleken slaapduur en slaapkwaliteit niet van invloed. Voor slaapduur is dat niet verwonderlijk, aldus de Amsterdamse psychologen. Uit de literatuur is bekend dat (bij volwassenen) het cognitieve functioneren pas wordt aangetast als de slaap consistent wordt beperkt tot vijf uur of minder per etmaal. Ook slaapkwaliteit (snelheid van inslapen, mate van wakker worden in nacht) leidt pas bij ernstige aantasting tot cognitieve problemen.

Aantasting van slaapkwaliteit heeft (bij volwassenen) wel snel effect op het psychische welbevinden. Dat blijkt ook uit het Amsterdamse kinderonderzoek. Kinderen die van zichzelf zeggen goed te slapen en geen moeite te hebben met opstaan hebben een positiever beeld van hun schoolprestaties en zijn ook meer prestatiegericht dan minder goed slapende kinderen. Ze hebben ook een betere controle over hun agressie, zo blijkt uit de vragenlijsten.

De daadwerkelijke schoolprestaties van de onuitgeslapen kinderen zijn niet onderzocht, maar in een recent Amerikaans onderzoek (Pediatrics, sept 1998) is het verband tussen slaapproblemen en prestatieniveau wel vastgesteld. Daarin werden bij een vijfde van een groep slecht lerende kinderen (in de onderbouw van de basisschool) slaapproblemen geconstateerd die verband hielden met ademhalingsproblemen (nl. SAGEA: sleep-associated gas exchange abnormalities). De helft van deze kinderen werd behandeld door middel van een operatie (onder meer door amandelen te knippen). Bij deze kinderen steeg het gemiddelde cijfer in het volgende schooljaar met bijna twintig procent. Bij de onbehandelde SAGEA-kinderen veranderde het gemiddelde cijfer niet.

Het feit dat de duur van de slaap niet van grote invloed is op de prestaties en het psychische welbevinden van kinderen wordt bevestigd door historisch onderzoek. Het idee dat de hoeveelheid slaap überhaupt een probleem kan zijn bestaat pas sinds de negentiende eeuw, aldus de mentaliteitshistoricus Peter N. Stearns (in `Children's sleep: sketching historical change' in Journal of Social History winter 1997, vol. 30, nr.3). Zelfs nu zijn er nog altijd grote verschillen, schrijft hij samen met zijn co-auteurs Perrin Rowland en Lori Giarnella. In Japan geldt ook nu nog slapeloosheid niet als een psychologisch of medisch probleem, terwijl in Amerika en ook Europa slaapgebrek nadrukkelijk geproblematiseerd wordt. Ook bij kinderen. In een recent overzichtsartikel in de Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry (1997, vol.36 nr.1: `pediatric sleep disorders: a review of the past 10 years') wordt een lange lijst van kinderslaapproblemen en mogelijke oplossingen gegeven: slaapproblemen in verband met ademhalingsmoeilijkheden (apneu), herhaald slaapwandelen, slecht inslapen, nachtwaken, verstoring van de biologische klok, nachtmerries, nachtelijke paniek, bedplassen, tandenknarsen in de slaap en allerlei slaapproblemen die nauw verbonden zijn met depressies, angstsyndromen of andere duidelijke medische problemen. Veel van deze problemen worden standaard behandeld in moderne ouderhandboeken.

Honderdvijftig jaar geleden zwegen de toen ook al ruim aanwezige ouderhandboeken over slaapproblemen bij kinderen. Wat er in populaire tijdschriften werd geschreven over slaap had vooral te maken met de gezondheid van het kind, niet met de slaap zelf. Een kind moest geen koude voeten hebben in bed. En kleine kinderen konden maar beter niet op hun rug worden gelegd omdat dan hun hoofdje zou indeuken, met alle gevolgen vandien voor de hersenen. Stearns schrijft over de toestand in Amerika, maar er is weinig reden om aan te nemen dat in Europa de situatie veel anders was.

Of er vroeger werkelijk beter geslapen werd dan tegenwoordig is natuurlijk moeilijk te achterhalen. Het kan ook zijn dat klagen over slaapgebrek een moreel stigma opleverde, want als er in de negentiende eeuw al over slapeloosheid werd gesproken, werd dat meestal geweten aan `slecht gedrag'. De hoeveelheid aanbevolen uren slaap was in ieder geval wel klein. Een kind van drie had wel genoeg aan twaalf uur, en vervolgens kon er ieder jaar een uur af, zodat een kind van zeven aan acht uur wel genoeg had. Voor volwassenen werd zelden meer dan zes à zeven uur aanbevolen.

Rond 1900 citeerde het Ladies Home Journal een `zenuwdeskundige' die zei dat wie zes uur sliep per dag zich nergens zorgen over hoefde te maken. Maar kort daarna schoten de aanbevolen uren omhoog in aantal. Volgens een officieel advies van de Amerikaanse regering uit 1910 moesten kinderen van een jaar of vijf minstens 13 uur slapen. Veertien- tot zestienjarigen dienden 10 uur te slapen.

Als belangrijke verklaring voor het andere `slaapregime' van negentiende eeuwse kinderen noemt Stearns c.s de veel minder strenge tijdsindeling in die tijd. Zelfs volwassenen konden in fabrieksploegen nog wel een uiltje knappen, laat staan dat de veel minder zware schoolroosters de kinderen verhinderden overdag een dutje te doen. Als een andere belangrijke reden voor de toename van de slaapproblemen in de twintigste eeuw noemt Stearns de gewoonte om kinderen apart en alleen in een kamer te laten slapen en om het kind te onderwerpen aan vaste bedtijden. Die disciplinering hing volgens Stearns onder meer samen met een andere (middenklasse)opvatting van het huwelijk. Man en vrouw dienden meer aandacht voor elkaar te hebben en meer dingen samen te doen: seks, naar de radio luisteren of samen uit. Maar tegelijkertijd nam ook de ouderlijke zorg voor het kind toe, omdat het inwonen van personeelsleden of grootouders steeds minder vaak voorkwam. Een rusteloos kind kon door ouders niet langer aan de meid worden overgelaten. Disciplinering was onvermijdelijk. Stearns suggereert zelfs voorzichtig dat de aanbevolen lange slaaptijden voor kinderen mede daarom zo populair werden: dan waren de kinderen tenminste uit de weg.

De ironie is dat deze disciplinering van kinderen leidde tot een geheel nieuw kenmerk van volwassenheid: zelf mogen bepalen hoe laat je naar bed mag. Met alle gevolgen voor de puberteit, waarin slaapgebrek juist een stoere eigenschap wordt.