Zelfs de realiteit is niet te vertrouwen

Een aardig aspect van het literaire prijzencircus is dat genomineerde boeken de kans op een `tweede leven' wordt geboden en soms zelfs een eerste. Dat laatste geldt voor de verhalenbundel Kindergezang van de Vlaming Joris Note (1949) die in deze krant tot nu toe onbesproken bleef, maar nu, dankzij een nominatie voor de Generale Bank Literatuurprijs, alsnog de aandacht krijgt die hij verdient. In 1993 debuteerde Note met De tinnen soldaat, een kleine introspectieve roman over een katholieke jeugd in Vlaanderen. Zijn tweede boek Het uur van ongehoorzaamheid (1995) was een bundel van vijf met elkaar samenhangende verhalen, waarin de taal als voertuig dient voor onbarmhartig zelfonderzoek.

Op die lijn gaat Note door in Kindergezang, vier verhalen over zelfbedrog, eenzaamheid en loutering. Hoe zijn we geworden wie we zijn en zijn we wel wie we denken te zijn, daar gaat het meteen al over in het openingsverhaal `De brug der zuchten'. Als kind is de vertellende ik-figuur een tijdje ondergebracht geweest bij een oom en tante waar hij zich niet thuis voelde. Waarom en hoe lang hij van huis en haard verdreven was, kan hij zich niet goed herinneren en dat doet er ook niet toe. `Ik was vier of vijf of zes jaar. Ongeveer vijf jaar, laten we zeggen. Ik heb daar vele maanden verbleven, me dunkt. Maar die leeftijd is van geen belang, we willen toch geen realisme.'

Het kind heeft zichzelf wijsgemaakt dat het door zijn oom en tante ontvoerd was waardoor hij zich voor altijd een verstotene zal voelen. Tegelijkertijd is niets wat het lijkt, herinneringen en zelfbeelden zijn niet te vertrouwen, maar dat `de realiteit' is dat nog veel minder.

Note graaft niet in zijn verleden om als literatuur verpakte memoires te schrijven (een genre waartegen hij zich uitdrukkelijk verzet gezien zijn afkeer van realisme), maar om zichzelf te begrijpen en zijn obsessies te kunnen plaatsen. `Memoires, memoranda, memorabilia. In memoriams, memento's. Lamento's. Om het te weten. Om het boven te halen. Ik vrees de modder, want ik duik niet naar parels. Het is rauw corvee', schrijft hij over herinneren.

Note's procedure – die van de medogenloze zelfontleding – mag dan rauw zijn, de taal waarin hij zijn bevindingen uit is zeer gestileerd. In associatieve, poëtische zinnen met veel binnenrijm en alliteraties roept hij moeiteloos een jeugd, personages, herinneringen of een gedachtengang op. De kern van wat hij te zeggen heeft, komt erop neer dat hij niet aan heftige pijnen heeft geleden, maar niettemin gebukt gaat onder een misselijk makende troosteloosheid die hij in beelden vastlegt. Een van de meest dwingende beelden is dat van het `voorgeborchte van de hel', waarmee ze hem als kind niet bang konden maken omdat hij ervan overtuigd was dat alle kinderen daar altijd al in vertoefden. Evenals veel volwassenen trouwens, zo blijkt uit de drie overige verhalen van Kindergezang. De verhalen zijn te lezen als beschrijvingen van verschillende stadia van een zware depressie waarvoor de basis gelegd is in de jeugd uit De brug der zuchten.

Het dieptepunt van de depressie wordt geëvoceerd in Het lachpaleis, door Note ingeleid met een huiveringwekkend citaat uit Herman Teirlincks Zelfportret of het galgenmaal: `Eigenlijk zijt ge ziek, van een smadelijke infame ziekte, die u naar bed jaagt om er uw lijf in te verbergen, dat van top tot teen een smartelijk schaamdeel is geworden.' Het lachpaleis bestaat uit brieven van de onlangs gescheiden, vereenzaamde bibliothecaris Frank Sondervorst aan zijn vrouwelijke psychiater. Hoewel hij niet meer onder behandeling is bij haar, blijkt uit alles dat hij nog doodziek is en getergd wordt door zijn verleden. `Altijd weer de beelden, mevrouw', verzucht hij met een duidelijke verwijzing naar het eerste verhaal, waarin de ik vertelde dat hij van jongs af aan akelige `beelden' heeft verzameld. Evenals dat eerste verhaal is Het lachpaleis een statement tegen de populariteit van moderne autobiografische bekentenisliteratuur. Samen met zijn psychiater woont de verteller een colloquium bij over literatuur en psychologie, waaraan hij een `kleffe smaak' overhoudt. `Mij best dat men naar geest en gemoed van grote schrijvers vorst, maar het is te goedkoop om daartoe vooral hun autobiografieën en brievencollecties uit te pluizen – die zijn zo verdacht bloot, misleidend bloot. Van gewicht zijn slechts hun echte werken, die in een spannende beweging hun donkerte verhullen en openbaren. De trucs die ze daarvoor gebruiken, dat zegt toch meer dan beate bekentenissen.'

Een van de `trucs' die Note gebruikt om zijn kijk op het leven als voorgeborchte van de hel vorm te geven, is gebruik maken van de actualiteit, bijvoorbeeld de affaire-Dutroux, zonder die met zoveel woorden te noemen. Hij wil er mee duidelijk maken dat zijn depressie, angst en radeloosheid niet particulier zijn. `Wat overkomt ons toch', vraagt hij zich af. En zijn antwoord is dat we diep van binnen altijd al wisten dat de totale onbeschermdheid die ons nu is overkomen, zou uitbreken. `We zijn ver van huis, voorgoed.'

Twee verhalen, het tweede en het laatste gaan over de liefde als antiserum voor de depressie. In `Verborgenheden', waar de bundel mee afsluit legt de hoofdpersoon zich gelouterd bij het leven neer, laat zijn ambities varen en trekt zich terug in een dorp om daar met zijn geliefde rustig, want aan de oppervlakte te leven.

Note probeert, niet alleen in dit verhaal, maar in de hele bundel, de kritische geest die overal iets achter zoekt en die ten slotte gek maakt, het zwijgen op te leggen, maar van die alles doorschouwende geest is de bundel doortrokken. Kindergezang is verontrustende literatuur die zonder in `beate bekentenissen' te vervallen, algemene herkenning oproept.

Joris Note: Kindergezang. De Bezige Bij, 146 blz. ƒ32,50