Wat doen we met China?

De rol van de intellectueel lijkt gereduceerd te zijn tot het goed- of afkeuren van een televisieprogramma. Aflevering 42 van een wekelijkse serie van Bas Heijne in het laatste jaar van deze eeuw.

Hoe gaat het eigenlijk met de Nederlandse intellectueel? Ik herinner me nog dat de Groningse professor Lolle Nauta in een inmiddels behoorlijk grijs verleden een lijst heeft samengesteld met wie volgens hem in Nederland voor intellectueel mocht doorgaan – en sindsdien is het woord nauwelijks meer gevallen.

Het heeft nog steeds een mooie klank. Het draagt tal van rijke associaties met zich mee. De gruwelijke ideologische blunders uit de afgelopen eeuw zijn alweer langzaam naar de achtergrond van ons bewustzijn verdwenen en stiekem aan kruipt er een zeker nostalgie in onze herinneringen. Intellectuelen, die deden tenminste wat – ook al deden ze het meestal fout. Moreel gezag, engagement, polemische stelligheid, de grote greep (`Wat doen we met China?'), de ongenaakbaarheid van de zuivere denkkracht, dat zijn dingen waarnaar tegenwoordig hartstochtelijk wordt terugverlangd. Vooral in een abstracte vorm. Dat al die eigenschappen de eigenaren ervan in werkelijkheid nogal vuile handen bezorgden, weten we heus wel, maar het tijdperk van de ideologieën ligt voorgoed achter ons – en we hebben het tenslotte overleefd. Er heerst een groot verlangen naar engagement om het engagement.

En wat doet de Nederlandse intellectueel tegenwoordig? Hij kijkt televisie. De intellectuele elite, lees ik in deze en andere kranten, heeft verklaard dat de omstreden realiteitsshow Big Brother kàn. Niemand hoeft zich meer te schamen wanneer hij geniet van de menselijke manipulaties van John de Mol en Hummie van den Tonnekreek. In een beschouwend programma dat helemaal over televisie gaat, Het blauwe licht, is onlangs namelijk onbekommerd gespeculeerd over het wel en wee van de bewoners van het huis in Almere. Dat geldt als een keurmerk. Het onderscheid tussen hoog en laag, tussen elite en massa, is tenietgedaan, lees ik, niemand hoeft zich meer bezwaard te voelen. Iedereen kijkt met dezelfde blik naar het programma en geniet.

Niet ieder programma is zo gelukkig. Soms zijn de intellectuelen niet over de streep te trekken en blijft het verschil tussen hoog en laag bestaan, alle publiekssucces ten spijt. Die arme Gerard Cox is weliswaar tijdens een fantastisch Van den Ende-gala bekroond door zijn collega`s als beste komische acteur, maar het zit hem daarom juist extra dwars dat zijn oergezellige jaren-vijftig-comedy Toen was geluk nog heel gewoon niet gewaardeerd wordt door dat handjevol `intellectuelen' dat stug naar de VPRO blijft kijken. Cox doet heel luidruchtig alsof het hem niks kan schelen. Je hoort meteen dat hij er wakker van ligt.

Het lijkt de enige maatschappelijke rol die nog voor de Nederlandse intellectueel is weggelegd: die van televisiecriticus. Vanuit de wereld van de televisie wordt geschamperd op intellectueel en elite (die woorden zijn inmiddels met elkaar vergroeid) wanneer niet iedereen warmloopt voor het wonder van Aalsmeer, wanneer al die veelbekeken droomproducten geen hartelijk intellectueel onthaal vinden en Joop van den Ende maar als een zakenman beschouwd blijft worden, in plaats van de cultuurdrager die hij is. Anderzijds wordt er gejubeld wanneer een televisieprogramma met een massaal appeal wèl genade vindt bij beschouwers van de media. Alleen in die beperkte context kom je de hedendaagse intellectueel nog tegen: als lid van een keuringscommissie, een soort Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen. Deelt hij een keurmerk uit, dan wordt er dankbaar gejubeld; doet hij het niet, dan moet hij zo snel mogelijk worden afgeschaft.

Het geeft maar aan wat de enige echte elite van Nederland is: de televisie-elite.

Zijn er dan echt geen andere maatschappelijke gebieden waarin een zogenaamde intellectuele elite zich laat gelden? Niet echt, nee. De hedendaagse intellectueel is vooral een beschouwer geworden. Hij hoedt zich voor apodictische uitspraken en ideologische stelligheden. Meestal holt hij achter de feiten aan. Zijn grote ambitie is de tijdgeest te doorgronden, niet haar te vormen. Het is al heel wat wanneer je erin slaagt een paar fenomenen in de postmoderne wereld in kaart te brengen, in woorden te vangen hoe de wereld, die voortdurend in de greep verkeert van technologische en sociale omwentelingen, ervaren wordt. Hij kan eigenlijk alleen voor zichzelf spreken – vandaar dat veel hedendaagse intellectuelen het alleen nog maar over zichzelf hebben.

Zoveel passiviteit is voor sommigen onverdraaglijk. Actie, wordt er om de zoveel tijd geroepen, actie! Waar zijn de intellectuelen van weleer, waar is het concrete engagement gebleven? Waarom grijpen de intellectuelen niet in tijdens de oorlog is Kosovo, waarom lossen ze het milieuvraagstuk niet op? Alsof er geen belangrijke dingen meer gebeuren! Waarom alles overgelaten aan de bestuurders, de massamedia en de technocraten? Er is behoefte aan de dwingende gedachte, de bevlogen oproep, de daad bij het woord. Analyse voldoet niet. Fijnzinnige beschouwingen schieten tekort, er moet weer eens flink geoordeeld worden.

Om te zien hoe groot die behoefte is, hoef je alleen de televisie maar aan te zetten. Er wordt daar tegenwoordig weer heel ferm geoordeeld, door journalisten die zich het morele aplomb van de intellectueel van weleer hebben toeggeëigend – journalisten en cabaretiers. Een uurtje Barend en Van Dorp en je beseft hoe groot de nostalgie is naar het hapklare engagement, het ferme statement. Het zijn morele oordelen over mensen en de wereld uit de losse pols, zelfgenoegzaam gedebiteerd vanachter de borreltafel. Uiteindelijk gaat het nergens over, omdat van een visie geen sprake is, laat staan van een diepgaande persoonlijke betrokkenheid. Er is vooral veel bejaarde nostalgie naar toen de wereld nog spannend was. De hopeloos rondvliegende moraal en onmachtige parabelretoriek van cabaretier Freek de Jonge wordt door mannen als Barend, van Dorp en Mulder met evenveel klef ontzag bewonderd als de kracht van een jonge voetballer: die Freek, die spreekt zich tenminste uit over de wereld. Wat hij zegt doet er niet toe, niemand die dat trouwens weet. Het gaat om de hartstocht van het gebaar.

Maar ondertussen ligt er wel een dilemma: nu intellectuelen na het debacle van de ideologie hun positie als maatschappelijk orakel hebben opgegeven en voortdurend worden weggespeeld door de krachtpatsersmoraal van de massamedia, dreigt het gevaar van de onbeduidendheid. De wereld gaat ook zonder hen zijn gang wel, politiek en wetenschap laten zich niet meer zo gemakkelijk sturen. De media geven onze wereld veel meer vorm dan de intellectuelen tezamen – daarom is het zo verleidelijk om je alleen nog maar met die media bezig te houden, het liefst zelf op televisie.

De Nederlandse intellectueel kan wèl een rol spelen in het maatschappelijk debat, zonder zich te vergalopperen door valse stelligheid, zonder zich te verliezen in pasklare antwoorden, in aanstekelijk maar loos klaroengeschal, zonder het rotsvaste morele geweten uit te hangen in een wereld die te complex is om tegenstrijdigheden uit te sluiten.

Door vragen te stellen.