Vrees voor Amerikaans isolationisme is onterecht

Nu in de Amerikaanse Senaat het kernstopverdrag is weggestemd, bestaat in Europa de angst dat de Verenigde Staten een nieuw isolationisme nastreven. Jeffrey Gedmin meent dat die vrees onterecht is. De Senatoren hadden gegronde redenen voor hun oppositie tegen het verdrag. Niet-ratificatie betekent dan ook allesbehalve een ramp voor de wereldvrede.

Vlak voordat de Amerikaanse Senaat zou stemmen over het mondiale kernstopverdrag (CTBT), hebben Jacques Chirac, Tony Blair en Gerhard Schröder nog krachtig gelobbyd in een artikel in de New York Times. En nadat de, in meerderheid Republikeinse, Senaat had geweigerd het verdrag te ratificeren, is vanuit het buitenland van links tot rechts met unanieme afkeuring en ontzetting gereageerd.

De conservatieve Britse krant The Times spreekt van `ernstige ondienst' jegens de Amerikanen en `hun bondgenoten', terwijl de centrum-linkse krant The Guardian het heeft over `Amerikaans egoïsme' en een `onzalige boodschap aan anderen'. Het Franse dagblad Le Monde stelt dat Amerika het `slechtst mogelijke voorbeeld' geeft; Le Figaro beschuldigt George W. Bush ervan een partij te leiden die `blind, reactionair en naar binnen gekeerd' is. In Duitsland vindt de Frankfurter Allgemeine Zeitung dat de Europeanen de gewichtige waarheid onder ogen moeten zien dat Amerika bezig is het beginsel van veiligheid door internationale samenwerking de rug toe te keren. Het besluit het CTBT niet te ratificeren heeft de Europeanen te hoop doen lopen: het is `vreselijk', `betreurenswaardig', `chauvinistisch', `unilateralistisch' en `isolationistisch', zo roept men in koor.

Men zou denken dat Amerika gek geworden is en dat het hemeldak weldra zal instorten. Wat is er werkelijk aan de hand? Wijst de stemming in de Senaat erop dat de gevreesde golf van isolationistisme een feit is? Als we president Clinton horen spreken, zouden we menen van wel. Clinton hoont de Republikeinen om hun ,,giftig brouwsel van roekeloze partijpolitiek en gevaarlijk isolationisme''. Maar of die verdenking nu vanuit eigen land of van daarbuiten komt, ze is bepaald merkwaardig.

Ze is merkwaardig omdat het CTBT werd afgekeurd door prominente Senatoren als Jon Kyl en Richard Lugar, solide voorstanders van vrijhandel, de NAVO en een hele reeks belangrijke internationale verplichtingen en initiatieven. Het zou onterecht zijn hen isolationisten te noemen. Lugar, de gematigde Republikein uit Indiana, is van oudsher voorstander van wapenbeheersing. Hetzelfde geldt voor vooraanstaande kenners van het buitenlands beleid als Brent Scowcroft, ex-adviseur voor nationale veiligheid van president Bush, die tijdens het debat zijn scepsis over het verdrag kenbaar maakte. En wat te denken van Henry Kissinger, die eveneens zijn bedenkingen had? Is het de buitenland-goeroe nummer één en kampioen van de Realpolitik in de bol geslagen? En dan zijn er nog de twee topmannen bij de CIA, beiden Democraten en benoemd door president Clinton zelf, die meenden dat het verdrag in zijn voorliggende gedaante ernstige tekortkomingen vertoonde. Het spijt me wel, maar de bewering als zouden tegenstanders van het verdrag partij-bigotte, isolationistische Neandertalers zijn die Amerika willen samenballen en de rest van de wereld willen afstoten in de richting van instabiliteit en nucleaire gruwelen, kan de toets der kritiek niet doorstaan.

Dus waarom heeft de Senaat het verdrag afgestemd? Het antwoord is simpel, en scharniert om twee hoofdpunten.

Ten eerste beweren voorstanders van het verdrag dat een mogendheid als de VS zijn kernwapens niet hoeft te testen om hun veiligheid en betrouwbaarheid te garanderen. Zo stellen de Chirac, Blair en Schröder in The New York Times dat ,,de nodige zekerheid omtrent de veiligheid en betrouwbaarheid [van kernwapens, red.] kan worden gegarandeerd zonder verdere nucleaire proefnemingen.'' Tegenstanders van het verdrag betwisten dat.

Amerika's Europese vrienden zouden moeten kalmeren. Republikeinen die tegen het verdrag hebben gestemd, zeggen dat ze het nu zeven jaar oude moratorium op kernproeven willen continueren. Maar evenals tal van deskundigen in Washington zijn zij er niet van overtuigd dat testen niet langer nodig is. Het is zelfs zo dat president Bush, toch allesbehalve een roekeloze isolationist, op de laatste dag van zijn presidentschap nog om opschorting van een door het Congres afgekondigd moratorium op kernproeven heeft verzocht. Bush betoogde destijds dat ,,de handhaving en verbetering van de veiligheid van ons kernwapenarsenaal alsmede de beoordeling en handhaving van de betrouwbaarheid van de Amerikaanse strijdkrachten ons nopen tot verdere proeven met kernwapens.'' In The Washington Post hielden Kissinger, Scowcroft en John Deutsch, voormalig CIA-directeur onder Clinton, eerder deze maand een zelfde betoog. ,,Wetenschappelijk is eenvoudig niet overtuigend vastgesteld'', zo schreven zij, dat Amerika's kernwapens ,,in alle opzichten veilig en betrouwbaar'' te houden zijn zonder kernproeven. Wie heeft er gelijk? Wie zal het zeggen? Maar het is een onweerlegbaar feit dat de VS van kernwapens afhankelijk zijn – en in de afzienbare toekomst zullen blijven – voor de afschrikking van aanvallen op eigen grondgebied en dat van vrienden en bondgenoten. En zolang de situatie zo is, zal de kwestie van wel of geen kernproeven voor de Amerikanen een heet hangijzer blijven.

Ten tweede betogen de voorstanders van het CTBT dat het verdrag verifieerbaar is. Chirac, Blair en Schröder houden staande dat zij ,,niet bevreesd zijn voor het gevaar van bedrog.'' Maar ook hierover zijn tegenstanders van het verdrag een andere opvatting toegedaan. Zij vragen zich af of wie dan ook in Europa, of in het Witte Huis, verwacht dat landen als Irak of Iran hun streven naar het bezit van kernwapens zullen opgeven, ongeacht wie wanneer welk document ratificeert. Het CTBT voorziet uiteraard in inspecties ter plaatse. Maar zulke inspecties vinden nu eenmaal niet automatisch doorgang. Sterker nog, diverse landen hebben al bewezen doorkneed te zijn in technieken om ontdekking te verijdelen. Ziehier enkele redenen waarom Senator Lugar het nut van het verdrag `hoogst twijfelachtig' noemde en staande houdt dat het CTBT ,,niet van hetzelfde kaliber [is] als de wapenbeperkingsverdragen die de afgelopen decennie aan de Senaat zijn voorgelegd.'' Merkwaardigerwijs hebben ook Clintons eigen nationale veiligheidsadviseurs openlijk toegegeven dat het verdrag niet in staat is te beletten dat landen bepaalde wapens in handen krijgen die zich lenen voor chantage of terrorisme.

Kortom, is de Amerikaanse weigering het CTBT te ratificeren een ramp voor de wereldvrede? Integendeel. De weigering komt voort uit terechte meningsverschillen over zeer belangrijke details. In breder perspectief hangt ze samen met een (aloud) verschil van inzicht tussen hen die menen dat de internationale orde het best te handhaven is door democratieën met een sterke nationale defensie en die een strenge wijkagent op straat willen; hen die aan sociaal werkers de voorkeur geven boven agenten en hun hoop in verdragen stellen, ongeacht wie het ondertekent; en, helaas, een krachteloze Amerikaanse president die overal wel een beetje in lijkt te geloven.

Jeffrey Gedmin is verbonden aan het American Enterprise Institute in Washington en directeur van het New Atlantic Initiative.