Verbeter de wereld, begin bij de anderen

Precies één anekdote permitteert Oskar Lafontaine zich. Nadat hij op 11 maart zijn functies van minister (van Financiën) en SPD-partijvoorzitter had neergelegd, werd hij gebeld door Helmut Kohl. De vroegere bondskanselier drukte eerst zijn respect voor mij uit, schrijft Lafontaine. Vervolgens vroeg hij of de SPD-politicus inderdaad een boerderij had gekocht. Mocht Lafontaine een pand vinden, dan zou de Paltser hem een jonge stier schenken, beloofde Kohl. Of wilde Lafontaine liever een leeuw of een tijger?

Na een aarzelende reactie van Lafontaine, vertelde Kohl dat deze beesten tegenwoordig al voor 250 mark worden aangeboden door dierentuinen. Lafontaines opmerking niet op de hoogte te zijn van de prijzen van roofdieren, strafte de oud-kanselier schalks af: `Ik wist altijd al, dat u van het werkelijke leven weinig benul heeft.'

Lafontaine verwijst in zijn zojuist gepubliceerde boek Das Herz schlägt links naar het gesprek om duidelijk te maken hoe geraffineerd Kohl met zijn voormalige gesprekspartners omging. Vaak heeft Lafontaine aan Kohl moeten denken als hij weer eens door de pers werd aangevallen, vooral aan diens bewonderenswaardige behendigheid om kritiek weg te steken.

Oskar Lafontaine (56) is het niet gelukt om kritiek weg te steken. Ook is hij er met zijn boek niet in geslaagd op respectabele wijze afscheid te nemen van een leven dat zich bijna dertig jaar lang in de Duitse sociaal-democratie heeft afgespeeld. Had Lafontaine de raad van een politieke vriend opgevolgd, dan had hij eerst afstand genomen. Maar de opgestapte SPD-leider heeft zijn boek juist gebruikt om de woede, de haat en het wantrouwen van zich af te schrijven. Zijn politieke kameraden krijgen er dermate van langs, dat een comeback voor de `ster van gisteren' – zoals Die Zeit hem noemde – onmogelijk is. Niemand wordt ontzien. Joschka Fischer niet, de groene minister van Buitenlandse Zaken en media-lieveling, die net als Gerhard Schröder omhoogschoot door zijn partij te minachten. De ijdele Fischer, die niet wist hoe snel hij zich geliefd moest maken bij zijn Amerikaanse collega Madeleine Albright in plaats de vriendschap met Parijs nieuw leven in te blazen en die met zijn argumentatie voor de Kosovo-oorlog (`nie wieder Auschwitz') op `ontoelaatbare wijze' overdreef.

Schaamteloos

Op Rudolf Scharping, de SPD-minister van Defensie, heeft Lafontaine het helemaal niet. Keer op keer schatte Scharping situaties en zichzelf verkeerd in. Toen hij na de verkiezingsoverwinning in september vorig jaar fractievoorzitter wilde blijven, stak Lafontaine daar een stokje voor en manoeuvreerde hem naar Defensie. Lafontaine wil nu wel even rechtzetten dat hij Scharping bij het congres in Mannheim helemaal niet als partijvoorzitter heeft gewipt. Scharping had hem zelf `uitgenodigd' voor de post. Maar Scharping hield nu eenmaal van de slachtofferrol en strooide later het verhaal van een coup de wereld in.

Gerhard Schröder, zijn grote rivaal, krijgt het 't zwaarst te verduren. Gebrek aan eerlijkheid, misbruik van vertrouwen van de kiezer, deloyaal, keer op keer `ergert mijn vriend Gerd me weer', of het nu gaat om benoemingen in het kabinet, de bondskanselarij of om Schröders verzet tegen een drastische verhoging van de benzineprijs waarmee Lafontaine de gaten in de begroting wilde stoppen. Ongegeneerd spuit Lafontaine zijn gal over zijn vroegere `Genossen' met wie hij aan de macht kwam. Iedereen wordt schaamteloos gekritiseerd, behalve één persoon: Oskar Lafontaine. Nu is zelfkritiek nooit het sterkste punt geweest van Lafontaine, die toen hij nog minister-president was niet voor niets de `Napoleon van de Saar' werd genoemd. Het boek is één grote zelfrechtvaardiging onder het motto `Ik heb altijd gelijk'.

Lafontaine geeft in zijn boek uitvoerig antwoord op de vraag waarom hij vertrok. Maar niet zijn vertrek verrast. Het meest verbaast Lafontaines deelname aan de regering. Van meet af aan is immers duidelijk hoe groot de rivaliteit en het wantrouwen is tussen Schröder en Lafontaine, die beide anderhalf jaar geleden dongen naar de kandidatuur voor het kanselierschap. Duidelijk is ook hoe de opvattingen van de traditioneel linkse Lafontaine, die zich al stoort aan denigrerende begrippen als `arbeidsmarkt', en die van de veel pragmatischer Schröder uiteen lopen.

Tandenknarsend moest Lafontaine erkennen dat Schröder verreweg de populairste kandidaat was: in de opiniepeilingen, bij de media en bij de kiezers. Wie inhoudelijk de betere was, stond voor hem buiten kijf. Had hij, Lafontaine, niet jarenlang de inhoudelijke lijn van de sociaal-democratische partij bepaald en beschikte hijzelf niet over meer ervaring in het leiden van regeringen? Lafontaine was tenslotte al sinds 1985 minister-president van Saarland en daarvoor bijna tien jaar lang burgemeester van Saarbrücken. Schröder was sinds 1990 minister-president van Neder-Saksen. Zijn eclatante herverkiezing in maart 1998, die Schröder de steun opleverde van de SPD bij zijn kandidatuur voor het kanselierschap, was voor Lafontaine dan ook een hard gelag.

Het was voor de partij beter geweest als Lafontaine daaruit zijn consequenties had getrokken en een stap terug had gedaan. Maar bij iemand als Lafontaine, die hongerde naar meer macht, kwam dat idee niet eens op. Integendeel, zowel het verkiezings- als het latere regeringsprogramma droeg overduidelijk het handschrift van de SPD-partijvoorzitter. Terwijl Schröder nog voor de campagne had gesproken over een ingrijpende modernisering van economie en maatschappij, aanpassing van het kostbare stelsel van sociale zekerheid en lastenverlichting voor het bedrijfsleven, was in het verkiezingsprogramma uiteindelijk weinig meer van zulke vernieuwingszin terug te vinden.

In Das Herz schlägt links maakt Lafontaine duidelijk hoe hij denkt over de voorstanders van minder staat en meer eigen verantwoordelijkheid voor de burgers – zoals Schröder nog deed in zijn maidenspeech toen de SPD hem in april 1998 als kandidaat had gekozen. Zijn jongste boek is – meer nog dan Keine Angst vor der Globalisierung, dat Lafontaine een jaar geleden samen met zijn vrouw Christa Müller schreef – één lange tirade tegen het zogenaamde `neoliberalisme'. Lastenverlichting voor ondernemers, loonmatiging voor werknemers, versoepeling van het ontslagrecht, vermindering van de werkloosheidsuitkeringen, parttime werk, particulier bijverzekeren – dat zijn volgens Lafontaine geen aanpassingen om Duitsland beter te wapenen tegen de hevige internationale concurrentie, maar aanzetten tot regelrechte afbraak van de verzorgingsstaat. Dit neoliberale `exorcisme' betekent een terugval in het denken van de negentiende eeuw, schrijft hij.

Als een eigentijdse Don Quichote trekt hij ten strijde tegen de mafia van moderniseerders, waartoe hij niet alleen de werkgevers rekent, maar ook Schröder en diens Britse collega Tony Blair. De `derde weg' die de sociaal-democratische vernieuwers zoeken in politieke aanpassing aan de eisen van de globalisering, loopt dood, waarschuwt Lafontaine. Hij keert zich fel tegen de `radicale koerswijziging' van de rood-groene regering, die zich na zijn vertrek met bezuinigingen tot het neoliberalisme heeft bekeerd. Zijn opvolger Hans Eichel is er tot Lafontaine's ontsteltenis in geslaagd in een mum van tijd werknemers en gepensioneerden tegen zich in het harnas te jagen.

Oogkleppen

Hoe de torenhoge schuldenberg van Duitsland moet worden verlaagd zónder te bezuinigen, hoe de miljoenen werklozen aan de slag moeten worden geholpen, hoe het dure sociale stelsel weer betaalbaar moet worden gemaakt – het zijn allemaal vragen waarop Lafontaine het antwoord schuldig blijft. `De opstand tegen de neoliberale mainstream, dat was de kern van mijn werk als partijvoorzitter van de SPD', schrijft Lafontaine. Het wild geworden kapitalisme aan banden leggen met verouderde recepten uit de jaren zeventig. Van de `flexibele mens' moet hij al helemaal niets weten. Flexibele arbeidsverhoudingen leiden tot `vernietiging van het karakter'. Tot zover Lafontaines bijdrage aan de vernieuwing van de Duitse sociaal-democratie.

Het hoeft niet te verbazen dat de liaison tussen de pragmatische Schröder, die door zijn relaties in de autowereld de `Genosse der Bosse' wordt genoemd, en de dogmatisch linkse Lafontaine is mislukt. Lafontaine, die zo bang was dat de kleinkinderen van Willy Brandt het niet verder zouden schoppen dan een `voetnoot' in de SPD-geschiedenis, is op de klippen gelopen.

Links in de SPD blijft wantrouwend tegenover de markt, merkte de Britse socioloog Anthony Giddens, tevens souffleur van Blairs `derde weg', onlangs op. Dat kan ze zich volgens Giddens nu niet meer permitteren. `We hebben de markt nodig, de regering en de civil society', aldus Giddens. In Engeland is daarover een intensief debat gevoerd, dat tot een renaissance van politiek idealisme heeft geleid. Met Lafontaine aan de leiding heeft de SPD dit debat niet gevoerd. Na een bijna dertigjarige carrière in de sociaal-democratie laat Lafontaine met zijn boek nauwelijks meer na dan een relaas van een verongelijkte wereldverbeteraar met oogkleppen op.

Als partijvoorzitter en kanselier heeft Schröder wèl een begin gemaakt met zo'n vernieuwingsdebat. Maar hoe lastig moderniseren is zodra een partij eenmaal regeert, merkt hij nu dagelijks.

Oskar Lafontaine: Das Herz schlägt links. Econ Verlag, 316 blz. ƒ45,90