Van trollen en mensen

Het zijn mysterieuze landen, die noordelijke Skandinavische. De midzomernacht bijvoorbeeld spoort aan tot buitenissige rituelen, het bloed kookt in de aderen, er gebeurt van alles wat het dagelijkse leven niet toestaat. Het toneelstuk Freule Julie van Strindberg is zo'n midzomernachtsdrama. Een adellijke vrouw, in de roes van wijn en verlangen, vergooit zich aan een knecht. Het oude standsverschil is opgeheven. Strindbergs midzomernacht is die van de hartstocht; in de nieuwe roman De vondeling van de Zweedse schrijfster Marie Hermanson (1956) krijgen de lichtgevende Skandinavische nachten een mysterieuze betekenis.

Mysterieus zijn vooral de sfeervolle, suggestieve landschapsbeschrijvingen die de auteur geeft. Het is alsof haar personages op zintuiglijke wijze opgaan in dat landschap. Zo begint haar boek: `Ze vaart door een grauwe wereld. De zon is nog niet opgekomen. Ze houdt van deze wereld waarin licht en donker ontbreken, een wereld zonder schaduwen, zonder kleuren. Niets is helemaal zichtbaar en niets helemaal verborgen, alles bestaat uit vermoedens, suggesties.'

Nee, dit is niet het harde begin van een thriller; hier overheersen stemmingen, emoties, inderdaad suggesties. Die `ze' is Kristina, een mensenschuwe kunstenares die onvindbaar tussen de rotspartijen woont. Zij geeft aan gevonden voorwerpen, zoals stukken wrakhout, stenen, schelpen, een nieuw leven door er kunst van te maken. Grimmige kunst, er zit altijd iets demonisch in. De vrouw is volstrekt alleen. In een kajak peddelt ze tussen de rotspartijen door.

Haar grootste geluk is de vondst van een klein, blond vierjarig meisje Maja. Het meisje is de personificatie van alles wat maar raadselachtig en ongrijpbaar kan zijn; ernstig speelt ze aan de vloedlijn, haar haar zit immer onberispelijk, ze heeft de onaantastbare schoonheid van een elfenkind. Zij behoort niemand anders dan zichzelf toe. Ze is geadopteerd door een Zweedse familie, maar glipt tijdens een midzomerse kampeerpartij de tent uit om haar eigen weg te gaan. Het intrigerendst aan het meisje is dat het nooit leerde praten. Hierin lijkt De vondeling op het oude Duitse verhaal van de wees Kaspar Hauser, die vervuild in een grot werd gevonden en evenmin over taal beschikte.

De oorspronkelijke titel van het boek luidt Musselstranden, mosselstrand. Wat sfeer betreft past dat beter want het meisje Maja is geen vondeling; dat roept allerhande associaties op van zieligheid en een jammerend, om haar moeder roepend, kind. Zo is het niet. Maja heeft niks uit te staan met de mensenwereld, dat is haar geheime kracht. Ze laat zich volstrekt niets gelegen liggen aan de mensen en de verborgen tragiek van het boek is dan ook dat juist die wereld van de rationele volwassenen, die weldenkende mensen, dit toverachtige wezen dwingen een van hen te worden. Wat zij – en waarom niet zeer terecht? – met de koppigheid haar leeftijd eigen weigert.

Tegenover de kunstenares Kristina staat de wetenschapster Ulrike. Zij bestudeert in de Skandinavische landen het mysterie van verdwijningen. Het gebeurt zo vaak: opeens is een mens of kind weg, spoorloos. Ze maken een avondwandeling en keren nooit terug. In het spel verdiept valt een kind in een ravijn – of gebeurt er iets anders? Aan die verdwijning zouden trollen de schuld hebben. Ulrike heeft er allerlei prachtige theorieën over totdat ze met het geval van Maja wordt geconfronteerd. Uiteindelijk werd zij dan toch gevonden, staande op de smalst denkbare richel van een steile rots. De volwassenen hadden haar al als voorgoed verloren beschouwd, en daar is ze.

Die plek is minder verwonderlijk dan op het eerste gezicht lijkt. Een lange gang, uitgaande van de schuilplaats van Kristina, leidt erheen. In twee scènes is Marie Hermanson op haar best. In de beschrijving van Maja's plotse verdwijning en de ontdekking daarvan door het pleeggezin. `Waar is Maja? Bij jou in de tent, nee, bij jou toch?' De verwarring is schitterend beschreven en vooral de daaropvolgende sensatie van volkomen leegte, ondanks de kleurrijke tenten, de geleegde flessen wijn. Dat tartende gemis dat de wereld op slag verandert. Dan is er die tweede scène, geschreven uit het perspectief van Kristina. Ineens wordt haar stille wereld verstoord door het geratel van een helikopter. Er is geroep en lawaai van mensen. Terwijl Kristina sliep is het meisje, nietsvermoedend, naar buiten geklommen. En daar, in het harde licht van de dag, staat ze zichtbaar voor al die zoekende mensen.

De ontreddering van Kristina is prachtig; ze verwijt zichzelf dat ze het meisje alleen liet. Ze had het, zoals altijd, veel dichter tegen zich aan moeten klemmen, dan had ze bemerkt dat het kind zich van haar losmaakte. Al mijn aandacht ging uit naar Kristina; haar besloten bestaan, vervolmaakt door het kind Maja dat ze op bijna dierlijke wijze ging verzorgen, en dan het wrede, gedwongen afscheid.

De vondeling werd zowel in Zweden als hier aangekondigd als de `beschrijving van een vrouwenwereld'. Ik geloof daar niet in; er zijn goede en slechte boeken, er zijn geen vrouwenboeken en niet-vrouwenboeken. Dat stempel doet het boek ook onrecht. Is Madame Bovary van Flaubert een vrouwenboek, Effi Briest van Fontane of Eline Vere door Couperus? Nee. In De Vondeling gaat het om de strijd tussen een onaangepast en een aangepast bestaan, tussen de eenzelvigheid van het kind en de goedwillende, rationele eisen der volwassenen. Het meisje Maja is het twistpunt in deze strijd, die ze helaas verliest.

Marie Hermanson: De vondeling (Musselstranden). Uit het Zweeds vertaald door Anna Ruighaver. Prometheus, 227 blz. ƒ34,90