Supporter

In zijn postuum verschenen bundel Achteraf beschrijft Karel van het Reve het eigenaardige fenomeen dat je kijkend naar een voetbalwedstrijd geneigd bent partij te kiezen, zelfs als er twee clubs spelen waar je geen enkele affectie mee hebt. Speelt PSV tegen Valencia dan ben je voor PSV, eenvoudig omdat je Nederlander bent. Daar ligt geen probleem. Maar kijk je bijvoorbeeld naar Bayer Leverkusen tegen Borussia Mönchengladbach dan word je, volgens Van het Reve, naarmate de wedstrijd vordert, ongemerkt supporter van een van de twee elftallen. Van het Reve viel het daarbij op dat hij altijd partij koos voor de club die aan het einde van de wedstrijd verloren bleek te hebben. Dat laatste lijkt mij niet zo moeilijk te verklaren. Onbewust ben je altijd voor de underdog, maar de kans dat de underdog wint, is kleiner dan de kans dat de underdog verliest. Daar is een underdog underdog voor. Gewapend met die kennis keek ik gisteren naar Ajax Amsterdam tegen Haipoel Haifa. Bij mijzelf moest ik rekening houden met volgende feiten en gevoelens.

Familiair en sibbekundig gezien ben ik een tikje joods angehaucht. In ons gezin heerste evenwel een fel antizionistische instelling. Assimileren was de norm en op zionisten die toch in Nederland bleven, werd een beetje neergekeken. Israel werd beschouwd als het Staphorst van het jodendom. Een ander punt is dat ik vrijwel mijn hele leven in Amsterdam heb gewoond en ik mijzelf ook ik niet een-twee-drie zie verhuizen – hoewel ik Amsterdam, zoals de meeste Amsterdammers, een dom bestuurde stad vind. In Israel daarentegen ben ik nooit geweest. Wel ben ik ooit eens uitgenodigd om deel te nemen aan de schaakmaccabiade in Tel Aviv, maar dat trok niet erg. En als ik al die orthodoxen zie met hun hoeden en hun baarden, en met hun bleke kinderen die nooit in de zon mogen komen, trekt het land mij nog steeds niet. Het moet, nu het er eenmaal is, natuurlijk wel blijven bestaan, zeg ik er maar even bij.

Er werd altijd gezegd dat Ajax een jodenclub was, maar ik heb daar eigenlijk nooit iets van gemerkt. Bij ons thuis waren we voor Blauw-Wit. Ons ideaal dat was Blauw-Wit, de club waar pit in zit, de club van het Stadion, die zag, kwam en overwon. Waarom Ajax een joods aureool heeft gekregen, zou ik niet kunnen zeggen. De club is bij mijn weten in de oorlog niet wegens vreemde smetten uitgesloten. Wel had je de binnenspeler Bennie Muller, joods, Sjakie Swart én voorzitter Jaap van Praag, over wie Cruijff gezegd schijnt te hebben dat hij hem nooit op een waarheid heeft kunnen betrappen. Tegenwoordig zit er, geloof ik, nog een Coronel in het bestuur, maar dan heb je het wel gehad.

En dan nu de wedstrijd. Wat als eerste opviel, was dat de spelers van Haipoel Haifa het merknaam Opel op hun shirt droegen. Opel? Er is een tijd geweest dat heftig gediscussieerd werd over de vraag of een rabbijn wel een Duitse auto mocht rijden. Joden reden in een Citroën of in een Volvo, maar nooit in Duitse auto's. Als zij op vakantie naar Italië gingen, reden ze door Frankrijk en nooit door Duitsland. Nu wordt het sterkste Israelische voetbalelftal gesponsord door een Duits automerk. Mijn zegen heeft het, maar ik hoop dat Opel, anders dan Mercedes, indertijd geen dwangarbeiders in dienst heeft gehad.

Bij Haipoel deed ook een Kroaat mee. Het is erg onrechtvaardig, want die jongen is natuurlijk van ver na de oorlog, maar bij een Kroaat denk ik toch altijd even: `Als die maar goed geweest is.'

Bij Ajax stond Grim in het doel. Onze keeper kan daar echt helemaal niks aan doen, en bovendien heeft hij maar één m in zijn naam, maar als je er oog voor hebt denk je toch al snel aan de gebroeders Grimm, de sprookjesvertellers, die flinke antisemieten. Gelukkig deed er bij Ajax toch nog iemand mee met een bijbelse voornaam: Aron. Hij heet Aron Winter, is niet in Jeruzalem maar in Paramaribo geboren, en moet zo te zien, familie zijn van Sammy Davis jr.

Het testen van mijn voorkeuren viel niet mee. Ajax nam al snel een voorsprong en stond die niet meer af. Toen ik vijf minuten voor het einde wakker werd, bleek het inmiddels 3-0 te staan. Jan Wouters gaf nog commentaar. Hij leek me geen Max Tailleur.