Sla de criticus!

Op 22 maart 1979 stond een oude dame in een vaalgroene jas te tieren in een Zutphense boekhandel. Het was de dichteres Ida Gerhardt (1905-1997) die haar ongenoegen uitte over het feit dat haar net verschenen poëziebundel Het sterreschip al wel in andere boekwinkels lag, maar nog niet in deze. De woede-uitbarsting van Ida Gerhardt zou leiden tot een hechte vriendschap met de boekhandelaar, Ad ten Bosch, aan wie ze enkele maanden later in een briefje haar excuses aanbood: `Mijn geprikkeldheid was onredelijk; maar misschien toch begrijpelijk.'

Het excuusbriefje was de eerste van zo'n tachtig brieven die Ida Gerhardt tussen 1979 en 1993 aan Ad ten Bosch schreef. Die brieven zijn nu gebundeld in Gebroken lied. Een vriendschap met Ida Gerhardt. Maar er werden niet alleen brieven uitgewisseld, er waren ook talloze ontmoetingen. Ad ten Bosch nam Ida Gerhardt en haar vriendin Marie van der Zeyde mee op autotochtjes, hij bracht hen naar de kloosters in Egmond of Grave waar ze de zomers doorbrachten, hij begeleidde haar bij literaire evenementen en deed als het nodig was boodschappen voor de beide, steeds hulpbehoevender vrouwen. Hij werd kortom hun steun en toeverlaat. Nadat Ten Bosch in 1988 Uitgeversmaatschappij Polak & Van Gennep had overgenomen, was hij ook Ida Gerhardts uitgever.

In een uitvoerige inleiding bij de brieven beschrijft Ten Bosch hun omgang die allengs vertrouwelijker werd. Zoals hij zelf opmerkt is een `vriendschap tussen een nukkige, teruggetrokken en bejaarde dichteres' en een 28-jarige boekverkoper `niet vanzelfsprekend'. Wat hen bond was de literatuur maar vooral hun liefde voor het rivierenlandschap waarin ze beiden als kind hadden rondgedwaald. Zowel in de inleiding – waarin Ten Bosch een mooi, wat beschroomd portret geeft van hun vriendschap – als in de brieven keren steeds weer de uitstapjes terug langs de IJssel tussen Zutphen en Kampen. Ida Gerhardt was kinderlijk enthousiast over die tochtjes en op de foto's die in het boek zijn opgenomen zie je haar intens genietend over het water turen.

De jaren tachtig, waarin de vriendschap tot bloei kwam, waren voor Ida Gerhardt een belangrijke episode. Ze had zich lang miskend gevoeld, maar na de verschijning van Het sterreschip groeide de belangstelling voor haar poëzie. In 1980 kreeg ze de P.C. Hooftprijs en haar Verzamelde Gedichten (1980, onlangs heruitgegeven) werden een onverwacht succes. Uit haar brieven blijkt hoe ze genoot van die – late – erkenning, maar ook hoe heftig ze kon reageren op negatieve recensies. `Sla die Fens op zijn smoel', schreef ze na een kritiek van Kees Fens. Menigmaal beklaagt ze zich over de critici, over `het verpeste land der Letteren waar men elkander het daglicht niet gunt.'

Ida Gerhardt schreef haar brieven in een toon die weinig tegenspraak duldt, maar ook in een prachtige, gedragen stijl. Menig woord kreeg een klemtoonteken, het lezen werd tot in de puntjes geregisseerd, zoals ze ook gewend was alles wat op haar weg kwam nauwlettend te regisseren.

Dagelijkse beslommeringen, boodschappenlijstjes, lyrische natuurbeschrijvingen, ongezouten opinies over andere auteurs en vele wijze raadgevingen aan Ten Bosch wisselen elkaar pardoes af. Zonder dat ze er al te veel op ingaat, klinkt voortdurend het lichamelijk en geestelijk verval door de regels heen. Na 1985 kan ze nauwelijks meer zien en moet ze haar brieven dicteren. Ze begint aan wanen te lijden en in 1993, vier jaar voor haar dood, moet ze worden opgenomen in een verzorgingstehuis.

In een van haar laatste brieven laat ze Ten Bosch weten: `Nimmer, maar dan ook werkelijk nimmer, heb ik een dergelijke doos bonbons aanschouwd.' Die opgetogenheid, altijd in plechtige bewoordingen geuit, maken deze brieven ook voor buitenstaanders ontroerend. Behalve als een streng en onverzettelijk wezen komt ze naar voren als een onzekere, kwetsbare en bij vlagen zelfs aardige vrouw.

Ad ten Bosch: Gebroken lied.

Een vriendschap met Ida Gerhardt. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 139 blz. ƒ37,50