Mythen ontmaskerd

NEDERLAND PLUKT de vruchten van het succes van zijn economische model. De slogan `werk, werk, werk' van de vorige kabinetsperiode is omgeslagen in `vacatures, vacatures, vacatures'. Werkgevers schreeuwen om personeel en het CBS meldde deze week dat het aantal openstaande vacatures nog nooit zo hoog is geweest. Plotseling ziet Nederland zich geconfronteerd met een verschijnsel dat al bijna uit het collectieve geheugen was verbannen: de terugkeer van de volledige werkgelegenheid.

In de naoorlogse jaren van wederopbouw was er voor iedereen volop werk. Dat waren vrijwel uitsluitend de mannelijke kostwinners van het gezin, want de deelname van vrouwen aan het arbeidsproces was laag. Eind jaren zestig begon het mis te gaan, eerst in de Twentse textielindustrie, later in de scheepsbouw en in vrijwel alle traditionele industrietakken. De internationale conjunctuur van de jaren zeventig met de keynesiaans onmogelijk geachte combinatie van stagnatie en inflatie, de geïndexeerde loonstijgingen en de oplopende premies voor de uitbouw van de sociale zekerheid deden de rest. In 1982 liep de werkloosheid op met tienduizend ontslagen werknemers per maand.

Nederland was ziek, het leed aan de `Hollandse ziekte' en er kwam een consensus voor verandering. Het Akkoord van Wassenaar tussen de vakbeweging en de werkgevers bezegelde de loonmatiging; in wisselende coalities waren de partijen van de politieke hoofdstroom bereid om de overheidsfinanciën te saneren en de sociale zekerheid aan te pakken. Nederland kwam bekend te staan als de bakermat van het `poldermodel', waarvan de werkgelegenheidsgroei de grootste aandacht trok.

HET SUCCES HEEFT zichzelf overtroffen. De werkloosheid is tot beneden het `natuurlijke evenwicht' gedaald. Dat wil zeggen: de economie bevindt zich op een niveau waarbij verdere stijging van de vraag naar arbeid kan leiden tot opwaartse loonkosten. Het is maar een kleine stap van volledige werkgelegenheid naar een overspannen arbeidsmarkt. Toen Nederland dat eind jaren zestig meemaakte, kwamen de spontane vakbondsacties voor vierhonderd gulden ineens. Daarna ging het snel mis met de werkgelegenheid.

Nu heeft niet alleen het bedrijfsleven moeite om vacatures te vervullen. Aangespoord door de Kamer heeft het kabinet allerlei plannen in uitvoering, uiteenlopend van meer personeel in de zorg en het onderwijs tot uitbreiding van de rechterlijke macht en van het aantal medewerkers van de Immigratie- en Naturalisatie Dienst. Nederland loopt tegen de werkgelegenheidsgrenzen van zijn eigen ambities aan. Tegenover de bijna tweehonderdduizend openstaande vacatures staan nog altijd meer dan een miljoen inactieven in de arbeidzame leeftijd. Mensen in de bijstand, VUT of arbeidsongeschiktheid. Het arbeidsaanbod van deze inactieven kan worden vergroot. Het kabinet doet daartoe ook wel enige pogingen, bijvoorbeeld in het nieuwe belastingstelsel en met campagnes om ouderen langer te laten werken, maar het gaat moeizaam.

HET SPEKTAKEL van de Nederlandse banengroei heeft een paar hardnekkige mythen ontmaskerd. Eén daarvan is die van de `baanloze groei' waarover begin jaren negentig nog zoveel gesomberd werd. Een andere is die van de uitstoot van arbeid door technologische vooruitgang. Niets blijkt minder waar. Het gebruik van computers en van informatie- en communicatietechnologie groeit explosief en tegelijkertijd neemt de werkgelegenheid toe. Nederland heeft de overgang van een schoorsteen- naar een beeldschermeconomie definitief gemaakt. Dit is de `nieuwe economie'.

Intussen zitten de beleidsmakers en sociale partners met een praktisch probleem. Hoe krijgen ze de vacatures vervuld? Verschillende wegen staan hiervoor open. Ten eerste voortgaande investeringen door het bedrijfsleven – alle sombere bespiegelingen van premier Kok ten spijt investeren ondernemingen aanzienlijk. Ten tweede en voor zover mogelijk: overbrenging van productie naar plaatsen waar zich minder knelpunten voordoen. Ten derde verbetering van de doorstroming van personeel in `Melkertbanen' naar de reguliere arbeidsmarkt. Ten vierde de verdere terugdringing van de inactiviteit door een combinatie van financiële prikkels, strengere regelgeving in de sociale zekerheid en marktgerichte loonstijgingen. En ten slotte moet Nederland er aan wennen dat min of meer volledige werkgelegenheid niet iets uit het verleden is, maar van de toekomst.