Gered uit de vlammen

Verzamelaar Serge Bromberg ontdekt regelmatig stukjes zwijgende film die hij met eigen pianomuziek vertoont. Aanstaande zondag in het Filmmuseum, bijvoorbeeld.

,,Het was de grote zolder van een oud huis, in Vitry-le-François, bij Parijs'', vertelt filmverzamelaar Serge Bromberg (38). ,,Via een tip hoorde ik dat er op dat adres oude films lagen, en dat bleek waar: twintig filmrollen in blikken, allemaal uit de tijd van de zwijgende film, maar nooit twee rollen van dezelfde film, allemaal verschillende fragmenten. De oude man die er woonde gaf ze me graag mee, maar zei erbij dat het jammer was dat ik niet twee jaar eerder was gekomen. Want toen had het hier helemaal vol gelegen met filmblikken. Elke week had hij er vijftien met de vuilnisman meegegeven, om er vanaf te zijn.

,,Ik kon wel huilen, toen ik me die enorme berg film voorstelde die op de vuilverbranding was beland. Zestig procent van alle films uit de zwijgende periode, dat wil zeggen vóór 1929, is voor altijd verloren gegaan: weggegooid, verbrand, in ontbinding geraakt. Stel je eens voor hoeveel meesterwerken op deze zolder twee jaar tevoren herontdekt hadden kunnen worden. Die blijven nu voor eeuwig onzichtbaar. We zullen het nooit weten.''

Knarsetandend vertelt Bromberg, eigenaar van 's werelds grootste particuliere verzameling van oude films, deze anekdote. Gelukkig zijn er ook mooie momenten, anders was hij ook nooit aan zijn verzameling van rond 70.000 filmrollen gekomen. Enkele daarvan laat hij dit weekeinde zien in het Filmmuseum in Amsterdam, een voorstelling die een week later te zien is op de abonnee-televisiezender Canal+.

In februari van dit jaar bijvoorbeeld vond Bromberg een kast vol oude films bij een Parijse antiquair. Hij kocht ze voor duizend franc. Van de 248 filmrollen bleken er 150 al zover in ontbinding, dat je niet meer kon zien wat er op stond. Bij de resterende 98 films zaten er dertig van Georges Méliès, de grote filmpionier en uitvinder van de trucfilm, die tussen 1896 en 1919 meer dan vijfhonderd films op zijn naam zette. Vele daarvan zijn alleen van naam bekend – verloren gegaan en weggegooid omdat ze geen geld meer opbrachten. Of ze zijn bewust vernietigd door Méliès zelf, die tegen het eind van zijn leven in vergetelheid raakte en uit dépit negatieven in de tuin achter zijn speelgoedwinkel begroef. Onder die dertig Méliès' zijn er een aantal, die voor eeuwig verloren werden gewaand.

Vertoningsdrift

Niet alleen de omvang van zijn verzameling maakt Bromberg tot een bijzondere collectioneur, maar ook dat hij die voortdurend toont. Hij houdt in Frankrijk een aantal keer per jaar een hooggeprezen en drukbezochte voorstelling (onder de titel Retour de flammes), waar hij films inleidt en zelf improviserend op de piano begeleidt, zoals hij dat nu voor het eerst ook in Nederland zal doen. Daarnaast vervaardigt hij televisieprogramma's. In Cellulo, voor de educatieve zender La Cinquième, presenteert hij op aanstekelijke wijze oude teken- en animatiefilms. Cartoon Factory en Slapstick, voor de cultuurzender Arte, dragen een meer cinefiel en ernstig karakter.

Deze vertoningsdrift is in de wereld van filmverzamelaars hoge uitzondering. In het Filmmuseum in Amsterdam en soortgelijke instellingen in het buitenland, kan men daarover sterke verhalen vertellen. De typische filmverzamelaar is iemand die – niet zelden met gevaar voor zijn omgeving – de hoogst brandbare nitraatfilms in zijn huis heeft opgeslagen en ze als een Cerberus bewaakt tegen vreemde ogen. Bromberg wil daarentegen juist dat zoveel mogelijk mensen zijn films zien, wat ook weer geld oplevert waarmee hij zijn oude nitraatfilms – die in ontbinding overgaan en krimpen – in eigen beheer kan laten restaureren en overzetten naar hedendaags, onbrandbaar filmmateriaal. Ook door dat restaureren is hij een bijzondere filmverzamelaar.

Maar zijn lust tot vertoning wordt niet alleen door financiële overwegingen ingegeven. ,,Sinds ik op mijn achtste van mijn vader een 8-millimeterprojector kreeg, vond ik het draaien van films het leukste van alles. Een projector is een tijdmachine: je kunt hem stilzetten of de film achterstevoren draaien, als je dat wilt. Die oude films zelf zijn ook een tijdmachine: als je een tijdje kijkt, vergeet je hun ouderdom, dat je allemaal oude auto's op straat ziet rijden bijvoorbeeld. Dan is het alleen nog maar de inhoud van de film, die je boeit. Die sensatie wil ik mijn publiek geven, en hen tegelijkertijd leren kijken naar die films. Want de middelen van de zwijgende film verschillen diepgaand van die van vandaag de dag. Omdat er geen geluid was en je bovendien moeilijk elke vijf seconden tussentitels kon laten zien, moesten acteurs in hun spel veel meer tot uitdrukking brengen.''

Een voorstelling van Bromberg is dus ook een beetje een les. Met onmiskenbare hartstocht leidt hij de films in, en steekt zelfs een stukje nitraatfilm in de fik om te laten zien dat ze echt heel brandbaar zijn. Ook laat hij een ongerestaureerde film zien om de gevolgen van de ontbinding van nitraatfilms zichtbaar te maken. Zijn pianobegeleiding is geheel geïmproviseerd, vertelt hij. ,,Ik weet wel dat er een school is die zegt dat je films alleen met hun oorspronkelijke muziek mag begeleiden, maar die muziek bestaat meestal niet meer en bovendien houd ik van pianospelen. Ik doe het trouwens alleen maar in filmzalen bij voorstellingen, daarbuiten nooit.''

Zijn eerste voorstelling in Amsterdam – waarvan Bromberg voor de pers het een en ander vooraf heeft laten zien – getuigt van de brede belangstelling van de verzamelaar. Zo vertoont hij een documentaire uit 1913 van de Franse Éclair-studio – dezelfde die in 1910 de pers uitnodigde voor de verbranding van ál haar tot dan toe gemaakte films om te bewijzen dat je bij Éclair alleen maar gloednieuwe films zag. Die gaat over Zeeland, en eindigt merkwaardigerwijze met beelden van het eiland Marken. Ook is er een documentaire uit 1912 over de Titanic, vlak voor zijn eerste reis.

Snuivende Sherlock

Onder de fictiefilms valt vooral Mystery of the leaping fish op, uit 1906. De film is geregisseerd door Todd Browning en de gevierde acteur Douglas Fairbanks, die ook de hoofdrol speelt: Coke Ennyday, een parodie op Sherlock Holmes. De nadruk valt daarbij op het enthousiaste drugsgebruik van de speurder, die snuift dat het een aard heeft en zichzelf en zijn omgeving voortdurend bewerkt met opwekkende injecties.

Uit 1908 is er geluidsfilm, dat wil zeggen een combinatie van film en grammofoonplaat. Enrico Caruso zingt heet hij en we zien zes zangers, ogenschijnlijk zonder onderlinge coördinatie, een sextet uit Lucia di Lammermoor brengen. Een van de zes lijkt inderdaad op de beroemdste tenor die de wereld ooit gekend heeft. Maar Bromberg heeft zijn twijfels: ,,het valt niet geheel uit te sluiten dat men eenvoudig een acteur als Caruso heeft vermomd. Als je goed kijkt, lijkt het wel alsof ze met een plaat meezingen. Terwijl dit soort films meestal andersom vervaardigd werd: eerst zong men voor de film, en daarna zong men met de film mee voor het maken van de plaatopname. Tegelijkertijd filmen en geluid opnemen was uitgesloten: daarvoor maakte de camera te veel lawaai.''

Bij één film uit het programma, over een acrobatische toeren verrichtende vlieg (1908) geloof je je ogen niet. Maar het hoogtepunt is naar mijn smaak echter geen stokoude film, maar eentje uit 1942, in kleur en mét geluid: Tulips shall grow van George Pal. Deze van oorsprong Hongaarse regisseur bracht op zijn vlucht voor de nazi's enkele jaren in Nederland door, alvorens naar de Verenigde Staten te vertrekken. Daar bleek hij ons niet vergeten: Tulips shall grow is een met eenvoudige middelen – gevouwen bordkarton voornamelijk – vervaardigde, maar indrukwekkende allegorie op de Duitse bezetting van Nederland.

Zoals altijd beëindigt Bromberg de voorstelling met een oproep aan mensen die tussen de oude troep op hun zolder nog films weten, zich te melden bij het Filmmuseum of soortgelijke instellingen. ,,Maar de meeste respons krijg je niet van zo'n oproep bij een voorstelling'', zegt Bromberg. ,,De aanwezigen in een filmzaal weten meestal al wat je in zo'n geval moet doen. De meeste reacties heb ik gekregen toen ik eens mocht verschijnen in een verkoopprogramma op de televisie – je weet wel, zo'n uitzending waarin je een nummer kunt bellen om een zwaar verguld gouden collier te bestellen. Niet alleen weten de huisvrouwen die daar naar kijken wat ze nog aan oude troep hebben liggen, ze hebben ook allemaal pen en papier bij de hand om het nummer op te schrijven waar ze hun oude films kunnen aanmelden.''

De persvoorstelling in Amsterdam bevatte ook een film die Bromberg helaas niet zal laten zien in het Filmmuseum en op Canal+: alweer een onbekende Méliès, behelzende een episode uit de Grieks-Turkse oorlog van 1898. Het gaat om een zogenaamde gereconstrueerde nieuwsfilm waarbij acteurs een scène uit de actualiteit naspelen. Bromberg heeft de film toevallig bij zich, omdat hij hem eerder op de dag heeft opgehaald bij het Amsterdamse laboratorium Haghefilm, internationaal een bekend adres voor de restauratie van oude films.

Deze film kan echter niet in een openbare voorstelling worden vertoond omdat op het werk van Méliès auteursrecht rust en de rechthebbenden, twee inmiddels ook al weer hoogbejaarde kleindochters van de filmpionier, zich met hand en tand tegen de meeste vertoningen verzetten. ,,Met pijn en moeite heb ik nu gedaan gekregen dat de films van Méliès die ik de laatste jaren heb herontdekt eenmalig mogen worden vertoond in het Louvre in Parijs'', vertelt Bromberg. ,,De kleindochters zullen bij de avond aanwezig zijn, al hebben ze bedongen dat ze pas hun plaatsen innemen als het zaallicht al uit is, en verdwijnen voordat het weer aan gaat.''

Bromberg heeft weinig begrip, laat staan waardering voor een dergelijke opstelling. ,,Je zou toch denken dat ze graag wilden dat zoveel mogelijk mensen het werk van hun geniale grootvader zagen en konden waarderen. Maar nee. De erven-Méliès eisen bijvoorbeeld dat de films waarover ze de zeggenschap bezitten getoond worden in uitsluitend aan Méliès gewijde programma's. Maar dat is toch vreselijk? Hoe prachtig ze ook zijn, na vijf van die trucfilmpjes beginnen ze toch te vervelen: weer plotsklaps verdwijnende figuren op het doek, of andere grapjes. Ik wil zo'n Méliès vertonen tussen allerlei andere films.''

Want vervelen, daar houdt Bromberg niet van. Hij wil zijn eigen genot en verbazing bij de films – ,,bij elke film die ik ontdek ben ik de eerste toeschouwer na soms wel negentig jaar, stel je voor'' – juist overbrengen op de toeschouwer. ,,Dat is het belangrijkste en als het moet laat ik daarvoor ook historisch belang varen. Een paar jaar geleden had ik een onbekende Buster Keaton op de kop getikt, Oh doctor uit 1917 en trots kondigden we aan dat die in de volgende Retour de flammes te zien zou zijn. We hebben daar ook mee geadverteerd. Toen de film echter gerestaureerd uit het laboratorium terugkwam, bleek het helaas een technisch prachtige kopie, maar inhoudelijk een heel slechte film.

,,We hebben Oh doctor toen door een andere film vervangen. Dat was jammer natuurlijk voor de paar doorgewinterde cinefielen die nu juist voor die ene Buster Keaton waren gekomen. Maar voor hen maak ik mijn voorstellingen niet – dat moeten de cinematheken maar doen. Ik werk voor een publiek dat anders nooit naar zwijgende films zou gaan kijken. Die ene keer in hun leven dat ze een film van Buster Keaton zien, moet het geen slechte zijn.''

Marx Brothers

De beste verrassingen zijn aangename verrassingen, meent Bromberg. Daarom doet hij ook zelden mee aan gerichte speurtochten naar bepaalde films. ,,Er zijn op de wereld verschillende verzamelaars die gericht zoeken naar Humorisk, een nooit uitgebrachte film van de Marx Brothers die verloren is gegaan. Maar als je die na jaren zou vinden, blijkt het vermoedelijk een slechte film. Hij is niet voor niets niet uitgebracht. Het is net als met het zoeken van de Graal. Vind je die, dan denk je waarschijnlijk: wat een saaie schaal.''

Liever laat de verzamelaar zich verrassen, waarbij hij wel aantekent dat veel, zo niet de meeste films die hij op de kop tikt op zolders, vlooienmarkten of veilingen vervelend of slecht zijn. ,,Het is soms moeilijk films te beoordelen. Ik heb eens een vreselijk slecht en saai melodrama gevonden, dat Toen het licht verdween heette, en gemaakt was door Hollandia-film. Toen heb ik maar eens met het Filmmuseum in Amsterdam gebeld: daar waren ze blij met de ontdekking van de eerste lange speelfilm, die ooit in Nederland is gemaakt.''

Het gelukkigst is Serge Bromberg toch als voor hem de tijdmachine in werking treedt, en de kracht van het filmwerk de afstanden in technische middelen en veranderde omstandigheden doet vervagen. ,,Mijn beste ervaring als verzamelaar begon een paar jaar geleden, toen ik een brief ontving van een Amerikaanse filmhistoricus. Die wist dat ik Little Mary Sunshine van Henry King uit 1913 bezat, met in de hoofdrol het kindersterretje Baby Mary Osborne, en vroeg om een videokopie. Ik schreef hem dat het me erg speet, maar dat ik helaas geen tijd en geld had om voor alle belangstellenden videokopieën te maken. Die Amerikaan schreef terug dat hij een argument wist waarom ik die kopie zou maken: hij beloofde dat hij de film aan Mary Osborne zou laten zien.

,,Twee weken later kreeg ik een brief van Mary Osborne zelf. Die liet weten dat ze zeer dankbaar was voor de kopie, omdat ze haar kinderen en kleinkinderen had kunnen bewijzen dat ze ooit een filmster geweest was. Ze had zichzelf in 1922 voor het laatst op een filmdoek gezien, en sindsdien waren alle films waarin ze had gespeeld, verloren gegaan. Maar het mooiste was dat ze een sterk vergeelde publiciteitsfoto van zichzelf uit 1913 meestuurde: Baby Mary Osborne, 6 jaar. Met de opdracht: voor Serge Bromberg.''

In het Filmmuseum in Amsterdam (Vondelpark 3) is `Retour de flammes' eenmalig te zien zondag a.s om 19.30 uur (reserveringen 020-5891400).

Canal+ Nederland, die de avond samen met het Filmmuseum organiseert, zendt hem via zijn eerste kanaal uit op donderdag 28 oktober, vanaf 20.30 uur. Canal+ zal dit jaar in samenwerking met het Filmmuseum nog drie andere avonden aan de zwijgende film wijden. Inlichtingen over abonnementen (zowel per kabel als satelliet) op 0900-1727.

Georges Méliès begroef uit dépit negatieven in de tuin achter zijn speelgoedwinkel

`Bij elke film die ik ontdek ben ik de eerste toeschouwer in jaren'