Gered door de liefde van Piep

Haas is een slim slank juffie. Ze is met Vos. Vos is dik geworden, spekkig zelfs. Vos moet op `die jeet'. `Wat is een jeet?' vraagt Vos. Het is iets dat Vos niet leuk vindt. Het is een lijst met alle lekkere dingen waarop al die lekkere dingen doorgestreept zijn. Alleen bietjespuree is niet doorgestreept. En geraspte worteltjes. Arme Vos. Een beetje dom, een beetje dik, een gulzige veelvraat die allerlei kippen en kuikentjes voor zijn neus moet verdragen en die nooit eens op mag eten.

We kennen Vos al wel, uit Sylvia Vanden Heede's Vos en Haas, het eerste deel over de bewoners van een bos. Het was een grappige aaneenschakeling van verhaaltjes over Vos en Haas, en over Uil die vlakbij ze woont en die op een dag een ei had. Uit dat ei kwam op den duur Piep. En Piep groeide geleidelijk aan op tot een haantje. Daarna vertrok Piep. In het eerste deel figureerde ook nog Pluim, een eekhoorn wier charmes onweerstaanbaar waren voor de toen nog slanke Vos.

De verhaaltjes over Vos en Haas zijn heel eenvoudig verteld, en verrukkelijk geïllustreerd, door Thé Tjong-Khing. Beginnende lezers kunnen ze toch al zelf lezen. Maar ze zijn ook geschikt om voor te lezen, dan schiet het af en toe een beetje op. Het boek werd meteen genomineerd voor de Gouden Uil en het kreeg een Vlag en Wimpel.

Nu is er deel twee Tot kijk, Vos en Haas. Uil heeft een nieuw ei. Per post gekregen van Piep. Uil broedt daarop. Het herinnert hem aan Piep, van wie hij veel hield. Maar op een dag krijgt hij een briefje ``Dag Uil. Hoe gaat het met ons ei? Piep en Tok'. Van dat briefje wordt Uil niet vrolijk. Wie is Tok? En hoezo `ons' ei? Uil vindt dat het zijn ei is.

Zo worden de gebeurtenissen in dit deel in gang gezet. Uit het ei komt een kuikentje, Iek genaamd, een nogal hanig kuikentje dat op alle mogelijke en onmogelijke momenten `kiekelekie' kraait en dat de meeste klinkers als een `ie' uitspreekt. ``Iek heb lieker geslapen. Maar toen liep de wieker af.' Je zou haast denken dat Sylvia Vanden Heede iets te aandachtig in Joke van Leeuwens Iep heeft gelezen, het boek over een vogelachtig meisje dat zinnetjes zegt als `Ik wil een bieterammetje met piendekies'. Maar verder heeft Iek niets van Iep.

Al spoedig komen ook Piep en Tok op de proppen. Er wordt daardoor wel veel getokt en ge-iekt en ge-kiekelekiet. Dat heb je met kippen.

De ontwikkelingen zijn deze keer wat tobberiger dan in het vorige deel. Waren daar de begerige blikken die Vos op de verleidelijke eekhoorn Pluim wierp al lichtelijk misplaatst voor het jonge lezerspubliek, hier zijn de ruzies, moeilijkheden en wederwaardigheden regelrecht afkomstig uit de wereld van de volwassenen.

Tok is een kale kip die gepikt werd door de andere. Ze is als het ware gered door de liefde van Piep. Maar Uil is jaloers op Tok, aanvankelijk, want Uil houdt van Piep. En Iek moet als kind kiezen wie zijn ouders eigenlijk zijn. Wat een gedoe. En wat een vervelend soort ruzies en gesnik en achtergesteldheden levert dat allemaal op. Welke zevenjarige wil dat allemaal weten, van dat dieet en van die mooie liefde tussen Piep en Tok – het raakt op een of andere manier niet los van een tamelijk kleinzielig soort volwassen gezeur. Het wordt niet bijzonder of anders of grappig. Misschien wist Vanden Heede niet meer zo veel te vertellen over Vos en Haas. Voor een langzame lezer lijkt het me helemaal dodelijk, dat pagina's lange gevit en geruzie. Want eigenlijk doen die dieren niet veel anders dan dat. Of ze huilen of schamen zich. En dan zijn er ook nog diverse complexen die opgelost moeten worden.

Nee. Wie een eenvoudig en aardig voorlees- of eerste eigen leesboek zoekt, kan beter deel één nemen.

Sylvia Vanden Heede: Tot kijk, Vos en Haas. Met tekeningen van Thé Tjong-Khing.

Lannoo, 144 blz. ƒ29,90