Explicitisme

Bardamu, de held van Céline's Reis naar het einde van de nacht, staat met een paar landgenoten aan de railing van het schip dat de haven van New York binnenvaart. Ze moeten lachen. Zoiets hebben ze nog nooit gezien: een stad die rechtop staat. In Europa liggen alle steden: aan een rivier, een knooppunt van wegen, in een dal. Deze staat! Het is begin jaren dertig. Nu zijn we zeventig jaar verder. Iedere grote stad die wil meetellen, doet haar best, zoveel mogelijk rechtop te staan. De Petronas Towers staan in Kuala Lumpur. Het land was bijna failliet, maar hoger is er nog nergens ter wereld gebouwd. Nu zien we weer hoe er in Jakarta tussen de wolkenkrabbers wordt gevochten. Deze zomer waren het de voetbalsupporters en de politie in de schaduw van de Rotterdamse skyline. Céline zou Parijs niet meer herkennen. De highrise is de stedebouwkundige uitdrukking van het `Explicitisme'. Het wezen van deze richting is het afleveren van een kennisgeving: het `Hier ben ik' of het `Hier zijn wij', en dit zo nadrukkelijk dat er niets aan toegevoegd hoeft te worden. Het publiek, de beschouwer, heeft zijn verbeeldingskracht niet meer nodig. Interpraties zijn uitgesloten. Dit is zoals het is; niets meer, niets minder.

Ik verduidelijk het met een recent tegendeel: de Pericord Apartments van Edward Kienholz. Het is een `installatie', bestaande uit de onpersoonlijke entree tot een gang in een appartementengebouw. Schemerlamp, plant op piëdestal, spiegel. Aan weerszijden van de gang drie gesloten deuren. De bezoeker legt zijn oor tegen een deur; dat is de bedoeling. Achter de eerste jankt een hond, achter de tweede snikt een vrouw, achter de derde het geluid van de televisie, enz. De ruimte achter iedere deur bevat de aanzet tot een verhaal, maar welk? Dat hangt er vanaf wie er luistert. De Pericord Apartments is een voorbeeld van `implicitisme'. Menig criticus heeft gedacht dat dit werk een uitnodiging was aan de voyeur in ons allen om zonder wat voor bezwaar dan ook aan die geheimzinnige neiging toe te geven. Een vergissing. Het is een door Kienholz gegeven gelegenheid om de kunstenaar die in ieder mens huist ertoe te bewegen, uit zijn harnas te komen. Het is een aanzet tot eigen actie.

A.C. Willink heeft een schilderij gemaakt, Het gele huis. Het model staat er nog, Vossiusstraat 53 in Amsterdam. Onder de vlijmscherpe blik en de vaste handen van Willink veranderde het in een van de meest desolate gebouwen die ooit op het doek zijn gebracht. Een uitgever, ik geloof dat het Nijgh en Van Ditmar was, vroeg tien schrijvers er een verhaal bij te schrijven. Bij negen vond het een treurig einde; de tiende, Henriëtte van Eyk, had er een muizenfamilie in laten wonen die er een vrolijke boel van maakte.

Een jaar of vijftien na de oorlog brak in de romankunst het nieuwe, felle, niets verbloemende realisme baan. Vergeleken met nu zou je denken dat je een wat gedurfder kinderlectuur onder ogen had, maar toen wekte die genadeloze weergave van de werkelijkheid opschudding. Over Henry Miller en Frank Harris hebben we het niet. Een bestseller was Forever Amber van de Amerikaanse schrijfster Kathleen Windsor. Edmund Wilson schreef: `De meeste romans bestaan dankzij hun intrige. Deze moet het hebben van de talrijke gebeurtenissen waarin de intrige tot stilstand komt.'

Expliciet zijn kan iedereen. Een wezenskenmerk van iedere kunst is: het impliciet gehalte. Het kijken naar een schilderij is het verzinnen van een verhaal, wat de bedoelingen van de schilder dan ook mochten zijn. Het kijken naar een paar etsen van Rembrandt of het bladeren in de schetsboeken van Picasso doet verlangen naar potlood en papier, ongeacht de vraag wat de beschouwer er zelf van terecht zal brengen. Het lezen van een schrijver die de naam verdient, is een aansporing tot zelf nadenken, over wat zich in zijn brein heeft afgespeeld, hoe in een flits misschien, of na veel proberen, de beeldspraak, het inzicht tot stand is gekomen dat nu des lezers instemming wekt, hem doet protesteren en waarom. In het kort gezegd: kunst werkt aanstekelijk, doet vragen naar meer kunst, of zet aan tot zelf maken, of beide.

En dit heb ik tegen Big Brother. Het is ontdaan van alles wat impliciet is, het is louter visueel vastgelegde beschrijving. Misschien is het, naar de courante maatstaven van de televisie gemeten, een `doorbraak'. Misschien komt hierna de biggest, met honderd mensen die zich voor een miljoen in een kasteel laten opsluiten onder toezicht van de camera's. Maar aanstekelijk? Het is expliciet, als een stuk vacuüm verpakte eetwaar, artikel uit een supermarkt. En `fascinerend'? Als er twee trams naast elkaar stilstaan, je zit in die van A naar B, en je kijkt naar de mensen die van B naar A gaan, weet je soms ook niet wat je ziet. Maar het moet geen drie maanden duren.