Europese defensie moet vooruitzien

Het Westen heeft geen strategische vijand meer sinds de Sovjet-Unie uiteenviel en de verloedering van het Russische strategische arsenaal inzette. Maar Amerika houdt twee van de drie poten van de zogenaamde triad paraat – vijfhonderd intercontinentale raketten in ondergrondse silo's en achttien atoomonderzeeërs, ieder uitgerust met 24 langeafstandsraketten. Binnen een paar minuten na het eerste alarm kan een vernietigende slag worden uitgedeeld. De raketten mogen dan wel niet meer, bij onderlinge afspraak, op doelen in Rusland gericht staan, een paar aanslagen op het toetsenbord en dat `euvel' is verholpen. De Wall Street Journal wijdde, een week na de weigering door de Amerikaanse Senaat van een verbod op kernproeven, een reportage aan de actuele stand van zaken vanaf de atoomonderzeeër USSWyoming.

Dit is de achtergrond waartegen de onderhandelingen tussen Amerika en Rusland over vermindering en aanpassing van hun arsenalen moeten worden beoordeeld. Vermindering willen beide regeringen. In het Amerikaanse geval zouden de kosten van onderhoud en controle worden beperkt. De Russen zien hun arsenaal als vanzelf wegsmelten als gevolg van achterstallig onderhoud. Een overeengekomen gelijktijdige vermindering lijkt alleen al daardoor een wijkend perspectief.

Niets zou een nieuw akkoord in de weg moeten staan, ditmaal onder de naam START III. Maar het wil er maar niet van komen. De Doema weigert zelfs START II goed te keuren dat al enkele jaren op ratificatie wacht. Een extra complicatie is de Amerikaanse wens het ABM-verdrag uit 1972 open te breken en een beperkt scherm van antiraketraketten op te stellen, volgens zeggen bedoeld om opkomende nucleaire mogendheden als Noord-Korea, Irak en Iran of groepen nucleaire terroristen af te schrikken mochten zij een, bescheiden, atoomaanval op de Verenigde Staten in de zin hebben.

Rusland is als erfgenaam van de Sovjet-Unie verantwoordelijk voor de tweede handtekening onder het ABM-verdrag. De Amerikanen willen het verdrag met wederzijds goedvinden aanpassen, ervan uitgaande dat ook de Russen belang hebben bij een beperkt scherm. (Denk aan een met de Tsjetsjenen sympathiserend gezelschap dat Moskou in nucleaire gijzeling neemt). Washington is zelfs bereid Rusland te helpen bij het aanleggen van radarstations in het oosten en zuiden van het land als preventieve maatregel. Maar de Russen vertrouwen het niet. Zij houden vast aan het dogma waarop het ABM-verdrag rust. De wederzijdse kwetsbaarheid voor nucleaire vergelding is de beste garantie voor vrede. Een scherm van antiraketraketten, hoe beperkt ook, vermindert de kwetsbaarheid.

Een tweede complicatie is dat Rusland en Amerika niet alleen zijn op de wereld. Die wereld wil, dat is al vele jaren zo, dat beide landen hun nucleaire voorsprong die tijdens de Koude Oorlog in een `overkill' was ontaard, ingrijpend verminderen. Naarmate beide landen er langer over doen aan die wens tegemoet te komen, wordt de drang om de atoomdrempel te overschrijden sterker. De experimenten van India en Pakistan vorig jaar lieten zien hoe de spanning oploopt. India rechtvaardigt zich met een verwijzing naar China en Pakistan. Pakistan reageerde op Indiase proeven met eigen proeven.

China heeft een bijzondere positie in deze thematiek. Het is bij het verdrag tegen spreiding van kernwapens (NPV) erkend als kernmogendheid, samen met de VS, Rusland, Groot-Brittannië en Frankrijk. Maar het loopt kwantitatief en kwalitatief ver achter bij de twee supermogendheden. Het heeft geen deel gehad aan de START-verdragen tussen Amerika en Rusland, maar het is wel partij bij het NPV en het heeft het verbod op kernproeven ondertekend. Evenals derde landen eist het van Washington en Moskou vermindering van arsenalen, in de kwestie van het ABM-verdrag stelt het zich op tegenover Amerika, zij het om andere redenen dan Rusland. Peking beschouwt Amerikaanse voornemens om Japan en Taiwan van een raketverdedigingsscherm te voorzien als tegen zichzelf gericht. Taiwan zou op die manier worden gesterkt in zijn streven naar onafhankelijkheid. Japan is een historisch gewantrouwde buurman.

In verreweg de meeste beschouwingen over de strategische verhoudingen in de wereld komen de Britse en Franse kernwapens niet aan bod. Zij kunnen een complicatie worden voor de beoogde Europese Defensie Identiteit. De Franse en Britse arsenalen leiden een onopgemerkt bestaan sinds president Chirac kort na zijn aantreden een laatste serie atoomproeven lanceerde alvorens het kernstopverdrag te ondertekenen en te ratificeren. Ook de Britten zijn tot ratificatie overgegaan. Maar wat is de functie van die strijdkrachten in een veranderende wereld, een wereld waarin meer landen en mogelijk terreurgroepen over een vermogen tot nucleaire oorlogvoering (hoe primitief ook) zullen beschikken?

De Europeanen hebben voor zichzelf een uitweg gevonden uit de complexe materie van Europa's veiligheid: zij kijken niet al te ver vooruit. De preventie van burgeroorlogen en van schending van de rechten van de mens in de eigen periferie heeft de hoogste prioriteit gekregen en de meeste lidstaten (Duitsland is de opmerkelijkste uitzondering) proberen hun strijdkrachten aan dit nieuwe concept aan te passen. Snel inzetbare, gespecialiseerde beroepssoldaten moeten in de plaats komen van de op de strategische verdediging ingestelde massalegers van dienstplichtigen. Investeringen zullen vooral moeten worden gedaan in de high-tech-attributen van de moderne oorlogvoering die in Kosovo nog zo opvallend ontbraken.

Het vermogen zelfstandig te opereren, zonder Amerika, staat op de voorgrond. De Franse president wijdde er de afgelopen dagen in Straatsburg nog een wervende rede aan. Charles Lambroschini verwees in Le Figaro naar de grootse doelen die Europa's grote drie zich hebben gesteld, maar opperde meesmuilend dat Italianen en Nederlanders zich wel tevreden zouden willen stellen met een transformatie van hun soldaten in brandweerlieden in dienst van de menselijkheid. Brandweerlieden of soldaten, eens zal de nucleaire dimensie van Europa's veiligheid aan de orde moeten worden gesteld. Volgehouden bijziendheid is geen oplossing. Elders in de wereld wordt de problematiek weer actueel. Dat kan maar beter tot het Europese debat over veiligheid doordringen.

J.H. Sampiemon is commentator voor NRC Handelsblad.