Eerst de muze, dan pas de moraal

Uit geen Italiaanse regio is de laatste honderd jaar zoveel literatuur van klasse (en in sommige gevallen zelfs van wereldklasse) voortgekomen als uit Sicilië: van Verga tot Pirandello, van Vittorini tot Lampedusa, van Quasimodo tot Sciascia. Naast de autochtone auteurs zijn er ook relatief veel schrijvers van elders die zich door het eiland hebben laten inspireren. Van deze categorie is de uit Padua afkomstige maar in Catania werkzame Silvana La Spina een van de meest recente voorbeelden. Terwijl haar (niet lang geleden in het Nederlands vertaalde) roman Een duivels zinsbedrog al een aardige dosis Sicilië bevatte, is haar nieuwe boek, De minnaar uit het paradijs Siciliaanser dan de zoutpannen van Trapani of de zwavelmijnen van Caltanisetta.

De gebeurtenissen spelen zich af in de nadagen van de Arabische hegemonie over het eiland, om precies te zijn in de jaren 1034-1036, wanneer de laatste emir al-Akhal op de troon zit. Ofschoon het islamitisch bewind dan al ruim 200 jaar bestaat en cultureel nog lang niet is uitgebloeid, begint het politieke einde zich af te tekenen. Palermo wankelt onder de niet aflatende druk van de Byzantijnen, die vanuit Zuid-Italië op de oostkust voet aan wal zetten en de strategisch belangrijke havenstad Syracuse veroveren. In hun leger bevindt zich een contingent Normandiërs, die enkele tientallen jaren later, in 1072, Palermo zullen innemen en er een eigen rijk zullen stichten. Maar dit laatste valt – hoe interessant ook – buiten het bestek van dit boek.

Hoewel La Spina zeker niet schrijft met de moraal als muze, weet zij de innerlijke aftakeling van de Siciliaanse moslimwereld goed te tekenen. Als het verhaal begint, regent het in Palermo en op de laatste bladzijde regent het weer. Emir al-Akhal, de lijdt aan nachtmerries en astma-aanvallen, bespeurt om zich heen slechts hypocrisie, corruptie en ambitie. Zijn moeder Sajjida spint aan het hof een web van intriges, de grootvizier al-Walied werkt als spion voor Constantinopel, en de rabbijn Isacco Melchisedek ontpopt zich als een kleinzielige verklikker. Alom ellende, bedrog, dreiging en gevaar.

Ofschoon de titel anders doet vermoeden, is de hoofdfiguur van de roman een vrouw: Katarina, de dochter van graaf Pandolfo van Capua, de `Wolf van de Abruzzen'. Zij verblijft al vier jaar in het klooster van Santa Venerata in het Calabrische Stilo in afwachting van haar vertrek naar Constantinopel, waar zij in het huwelijk zal treden met prins Alexius. Als zij nog maar net is afgevaren, wordt het schip waarop zij reist overvallen door een Saraceense vlooteenheid onder commando van Ali ibn at-Toemna, de bevelhebber van al-Akhals zeemacht. Omdat `het altijd de geur van vrouwen is die de wereld in beweging houdt', bloeit er tussen de jonge admiraal en het meisje `met de blanke wimpers en vlagrode haren' een nauwelijks uitgesproken romance op.

Omdat Katarina wordt gezien als een belangrijke pion op het politieke schaakbord, wordt zij overgebracht naar Palermo, waar zij terechtkomt in de harem van de emir. Daar wordt zij opgemerkt door prins Abdoellah uit Kairouan, die haar schaakt en op een schip met zich meeneemt. Als haar ontvoerder ergens aan land gaat, weet Katarina echter te ontsnappen en keert zij terug naar Palermo. Niet lang daarna duikt zij op in het kamp van de moslims bij Syracuse, waar zij opnieuw gevangen wordt genomen, maar nu door de christelijke Byzantijnen. Deze sluiten haar op in de zogenaamde Latomie del Paradiso, waar zij verenigd wordt met haar vriend de vlootvoogd Ali, die daar eveneens gevangen zit.

Het kost enige moeite om in De minnaar uit het paradijs de draad van het verhaal vast te houden. Dat komt omdat de gebeurtenissen worden gepresenteerd in scènes, taferelen, episoden en tableaux. Er zit wel een chronologische lijn in, maar die ontwikkelt zich meer sprongsgewijs dan lineair. Het boek is als een groots opgezet historiestuk waarvan het perspectief voortdurend verschiet: van het Byzantijnse hof naar het paleis van Palermo, van het klooster in Stilo naar het slagveld bij Troina, van het kamp bij Salerno naar het belegerde Syracuse. Deze constante perspectiefwisseling verklaart ook de grote verscheidenheid aan personages en figuranten: kooplieden, dichters, haremmeisjes, imams, huurlingen, monniken, zeelui, nonnen, enzovoorts. Zij kenmerken zich overigens meer door hun bonte pluriformiteit dan door hun psychologische profilering. De meeste van hen zijn slechts representanten van een bepaalde sekse, categorie of beroepsgroep, geen individuen met een eigen karakterstructuur.

De kracht van La Spina's roman zit niet zozeer in het verhaalverloop of de personages alswel in de exotische sfeer die erin wordt opgeroepen. Het Sicilië van de elfde eeuw met zijn moors-christelijke signatuur krijgt op fraaie wijze gestalte: oosterse bestuursvormen en gewoonten, delicate geuren en smaken, uitingen van cultuur en beschaving, ruisende fonteinen en schitterende paleizen, maar ook innerlijke zwakte en onderlinge verdeeldheid. Het centrum van de gebeurtenissen is Palermo: `het prachtige Balarm met zijn gaarden en tuinen, zijn buikige koepels van moskeeën en hoge minaretten'. Daar klopt het economische hart van het rijk, daar wordt beslist over oorlog en vrede, daar zetelt de emir te midden van zijn raadsheren en concubines.

La Spina's manier van schrijven kenmerkt zich door een beeldende suggestiviteit, die onder andere veroorzaakt wordt door het feit dat zij zonder uitleg talloze Arabische termen in de tekst opneemt. Ook al maakt dit het lezen niet overal even gemakkelijk, het prikkelt wel de fantasie. Omdat de stijl van de schrijfster meer evocatief dan expliciterend is, heeft hij iets poëtisch, iets dat onbestemde verten en diepten oproept. Grammaticale perfectie moet je bij haar niet zoeken, want haar zinnen dartelen (ook in het Nederlands van Pietha de Voogd) grillig en spontaan over de pagina's. Uitroepen, tussenwerpsels, opsommingen, interrupties en klankfiguren verlenen haar taal een bepaald ritme dat, juist omdat het allergisch is voor inhoudelijke precisie, een betoverend effect sorteert.

Ik ken geen andere Italiaanse roman waarin het Arabische Sicilië zo meeslepend tot leven is gebracht als in De minnaar uit het paradijs van Silvana La Spina.

Silvana La Spina: De minnaar uit het paradijs. Uit het Italiaans vertaald door Pietha de Voogd. Wereldbibliotheek, 320 blz. ƒ39,50