Een kleurrijke scherprechter

In juni 1992 begon Michael Dummett, hoogleraar logica aan de universiteit van Oxford, zijn afscheidscollege met een lofprijzing op zijn beroemde voorganger, Sir Alfred Ayer. Hij prees Ayer omdat die studenten altijd had uitgedaagd een eigen standpunt in te nemen. Daarmee onderscheidde Ayer zich volgens Dummett van de aanhangers van de ordinary language filosofie die zelfs binnen Oxford een gesloten gevechtseenheid vormden.

Met zijn lofrede nam Dummett stelling in een controverse die al in de jaren dertig in Oxford was ontstaan tussen twee stromingen binnen de analytische wijsbegeerte: het logisch positivisme en de filosofie van `de gewone taal'. Het logisch positivisme, ontstaan in Wenen en geïnspireerd door Wittgensteins Tractatus Logico-philosophicus, verkondigde dat de filosofie wetenschappelijk diende te worden. Alle uitspraken die niet geverifieerd konden worden, zoals `het Niets nietst' van Heidegger, moesten als zinloos worden afgewezen. Meer gematigde filosofen beschouwden wijsbegeerte als de meest algemene wetenschap, die begrippen moest bestuderen die in alle academische vakken worden gebruikt, zoals `waarheid' en `oorzaak'. Filosofen van de `gewone taal' op hun beurt zagen daarentegen een duidelijk verschil tussen wetenschap en filosofie: de filosoof analyseert in de dagelijkse omgangstaal het gebruik van woorden waarin wijsgerige problemen worden geformuleerd.

In de jaren dertig waren filosofen uit de diverse stromingen nog met elkaar in gesprek. Wekelijks kwam een aantal van hen bijeen om te discussiëren, in de werkkamer van Isaiah Berlin. Onder anderen J.L. Austin, die later de voorman van de filosofie van de gewone taal zou worden, en Freddy Ayer, toen nog de verdediger van het logisch positivisme, maar later aanhanger van het gematigde standpunt. Austin had een scherp intellect en was verder een degelijke huisvader. Ayer was in vrijwel alle opzichten zijn tegenpool, zoals blijkt uit de recente biografie A.J. Ayer. A Life van Ben Rogers. Ayer combineerde een levenslange passie voor de wijsbegeerte met een passie voor vrouwen en het leven in de society.

Atheïsme

Alfred Ayer werd geboren in 1910, als het enige kind van een calvinistische vader van Zwitserse afkomst, en een dochter van Dorus Citroen, een Amsterdamse diamanthandelaar die via Antwerpen in Londen was beland. Alfred was een buitengewoon intelligent kind. Op Eton, zijn middelbare school, maakte hij zich weinig geliefd met een `actief atheïsme': hij was ervan overtuigd dat God niet bestaat en wilde die overtuiging ook uitdragen. Eenmaal in Oxford voor een studie klassieke talen, bleek zijn hart uit te gaan naar de filosofie. Hij werd daarin gesteund door een jonge docent, Gilbert Ryle, die hem na zijn afstuderen aanraadde naar Wenen te gaan, centrum van het logisch positivisme en de plaats waar zich destijds de spannendste ontwikkelingen op het gebied van de wijsbegeerte voordeden.

Het werd een vruchtbaar verblijf. Ayer werd als een van de weinigen toegelaten tot de bijeenkomsten van de logisch positivisten. Terug in Oxford begon hij aan het boek dat hem op zijn 26ste wereldberoemd zou maken en hem zijn leven lang zou achtervolgen: Language, Truth and Logic. In dit boek verdedigt Ayer het logisch positivisme en gaat hij een stap verder: hij past de theorie dat alleen verifieerbare uitspraken zinvol zijn niet alleen toe op de filosofie, maar ook op ethiek en religie. `God bestaat' is niet te verifiëren en dus een betekenisloze uitspraak. Ayers `actief atheïsme' kreeg dankzij het logisch positivisme een wijsgerig fundament.

Bij de publicatie in 1936 riep Ayers heldere, maar voor velen schokkende boek vooral negatieve reacties op. Het deed zijn carrière geen goed. Hij kreeg geen vaste aanstelling en moest zich in leven zien te houden met tijdelijke docentschappen. Het was een moeilijke periode, ook in zijn huwelijk. Zijn echtgenote, Renée, was te trots om zich te gedragen als `de vrouw van Ayer'. Zij adopteerde een verwaarloosde ezel, waarmee ze door Oxford liep in plaats van Ayer te vergezellen naar het diner aan high table. Toen zij merkte dat Ayer haar ontrouw was, ging ze in op de avances van een andere filosoof, Stuart Hampshire. Ayer probeerde de situatie op te lossen door een kerstvakantie met zijn drieën door te brengen in Parijs, maar halverwege kon hij het niet langer aanzien en ging hij, alleen, terug naar Engeland.

In tegenspraak met het insulaire beeld van de Engelse filosofie, had Ayer grote belangstelling voor de continentale literatuur en filosofie. Na de Tweede Wereldoorlog verbleef hij in Parijs, in dienst van de Britse militaire geheime dienst, waar hij het Franse intellectuele milieu goed leerde kennen. Uit zijn artikelen over Sartre en Camus sprak waardering voor de levenshouding van het existentialisme, maar hij bestreed die tegelijkertijd omdat die volgens hem berustte op ondeugdelijke redeneringen. Sartre's uitspraken over het niets (le néant) waren volgens Ayer, trouw aan zijn logisch positivisme, zelfs zinloos, want ze konden niet bewezen worden.

Meer waardering had hij voor Camus, die in De mythe van Sisyphus had laten zien dat het menselijk leven betekenisloos is. Ayer had ook kritiek: in plaats van de betekenisloosheid van het leven te aanvaarden als logisch, betreurde Camus die, alsof het leven onder andere omstandigheden wèl betekenis had kunnen hebben. Maar, vond Ayer, ofwel Camus' analyse van het menselijk bestaan is juist, en dan is zijn treurnis om het gemis aan betekenis onbegrijpelijk; of die treurnis is terecht, maar dan is de analyse niet correct.

Kettingroken

Na de oorlog begon Ayers loopbaan als docent en inspirator, eerst in Londen, daarna te Oxford. Hij was op zijn best tijdens tutorials, wanneer hij onder vier ogen met een student diens werk besprak. Tijdens hoorcolleges dribbelde Ayer kettingrokend heen en weer voor zijn gehoor en daagde hij de aanwezigen uit tot discussie. Sommigen waardeerden dat. Anderen, zoals de Nederlandse filosoof Nuchelmans, vonden zijn optreden `allermiserabelst'. `Hij doceerde überhaupt niet, zou je kunnen zeggen', zei deze. Ayer bleef in Londen wonen, waar zijn leven een vast patroon had. 's Ochtends werken, 's middags een uitgebreide lunch met een van zijn maitresses, 's avonds dansen en op zaterdagmiddag naar Tottenham Hotspur, de voetbalclub die hij zijn leven lang trouw bleef.

Een paar maanden voor zijn dood was hij de eregast van een groep studenten te Londen. Hij beschreef een `bijna-doodervaring' die hij onlangs had gehad na een hartaanval. In de drie minuten die hij dood zou zijn geweest, had hij voor zijn gevoel urenlang een fel rood licht gezien. De ervaring bracht hem ertoe niet langer met absolute zekerheid te beweren dat er geen leven is na de dood. Tijdens het dessert begon hij te fulmineren tegen de opvatting dat een naam altijd (`in alle mogelijke werelden') verwijst naar hetzelfde individu, en niet naar een begrip in het hoofd van de spreker. Ayer vond dat een terugval in een achterhaald essentialisme – de filosofische opvatting dat objecten wezenlijke eigenschappen hebben – en meende dat hij er een knock down argument tegen had. `Kijk naar mij', zei de frêle filosoof. `Stel je een mogelijke wereld voor waarin ik de wereldkampioen boksen voor zwaargewichten ben.'

Het boek van Rogers geeft antwoord op de vraag waar dat laatste voorbeeld vandaan kwam. In december 1987 bezocht Ayer een feest van een lingerie-ontwerper in Manhattan. De 77-jarige filosoof was het middelpunt van een groep fotomodellen, toen een jonge vrouw binnenstormde met de boodschap dat een vriendin van haar werd aangerand in de slaapkamer. Ayer verontschuldigde zich en ging op onderzoek uit. In de slaapkamer lag de bokser Mike Tyson bovenop Naomi Campbell. Ayer waarschuwde Tyson dat hij moest ophouden. `Weet je wel wie ik ben?', schreeuwde de bokser. `Ik ben de wereldkampioen zwaargewicht.' `En ik ben voormalig hoogleraar in de logica', antwoordde Ayer. `We zijn beiden vooraanstaand op ons vakgebied. Ik stel voor dat we dit als redelijke mensen bespreken.' Ze raakten in gesprek, hetgeen Naomi Campbell de gelegenheid gaf weg te glippen. Zulke anekdotes zijn smakelijk. Toch is dit geen geslaagd boek. De nadruk ligt te veel op het leven in de society en zijn vele verhoudingen met vrouwen en te weinig op de filosoof Ayer, die zich staande wist te houden toen iedereen in Engeland achter Wittgenstein en de `filosofen van de gewone taal' aanholde. Dat is een ernstige tekortkoming, want inmiddels is het tij gekeerd ten gunste van Ayer. Engelse analytische filosofen zijn de laatste jaren meer en meer in de geest van Ayer gaan werken. Ze zijn geen logisch positivisten – zoals de meeste van hun collega's in de Verenigde Staten – maar staan open voor wetenschappelijke ontwikkelingen die gevolgen hebben voor filosofische problemen. Precies zoals Ayer zou wensen.

Rogers geeft bovendien filosofische opvattingen verkeerd weer, maakt fouten (The Concept of Mind van Gilbert Ryle verscheen in 1949 en niet in 1939) en is te weinig kritisch over zijn bronnen. Dat deze biografie toch zo leesbaar is geworden, is te danken aan de kleurrijke levenswandel van Sir Alfred.

Ben Rogers: A. J. Ayer. A Life. Chatto & Windus, 402 blz. ƒ75,60