De nulgraad van de menselijkheid

Finis laus deo heeft António Lobo Antunes als afsluiting onder zijn onlangs vertaalde roman De glans en pracht van Portugal geschreven. Einde, God zij dank: je kunt je die verzuchting wel voorstellen. Net als voor de lezer, moet het voor de schrijver een beproeving geweest zijn zich door ruim vierhonderdvijftig bladzijden ellende, wreedheid en ontluistering heen te werken. Zelfs Lobo Antunes, toch al niet een van de lichtvoetigste auteurs van Portugal, is het kennelijk zwaar gevallen. De hooggestemde titel van het boek, een vers uit het Portugese volkslied, steekt daartegen des te wranger af.

Het had weinig gescheeld of Lobo Antunes had in 1997 de Nobelprijs voor literatuur gekregen. Het werd – het jaar daarop – uiteindelijk zijn landgenoot en grote rivaal Saramago. Misschien vanwege de humanistische inslag van diens boeken, die ondanks het nodige scepticisme over de menselijke aard toch een zeker geloof in diens goedheid behouden. Van zo'n optimisme is bij Lobo Antunes zelden iets te merken. In de dertien romans die hij tot nu toe geschreven heeft, breekt maar een enkele keer een glimpje licht door. Dat gebeurt bijvoorbeeld in de liefdesroman De natuurlijke orde der dingen uit 1992, onderdeel van een trilogie die gewijd is aan de ooit sjieke Lissabonse wijk Benfica.

Lobo Antunes behandelt zijn thema's bij voorkeur in cycli van meerdere romans. In de jaren tachtig wijdde hij een tetralogie aan de rampzalige geschiedenis van Portugal. Nu werkt hij aan een cyclus van vier romans over macht. Het twee jaar geleden in het Nederlands vertaalde Handboek van de inquisiteurs was er het eerste deel van, De glans en pracht van Portugal het tweede. Intussen is in Portugal het derde deel verschenen (De vermaning van de krokodillen) waarin Lobo Antunes, geheel aan de hand van vrouwelijke protagonisten, de wereld van extreem-rechts in de tijd van de Anjerrevolutie beschrijft.

In werkelijkheid vormen die twee tetralogieën elkaars spiegelbeeld. Het verwoestende automatisme van de macht is voor Lobo Antunes hecht met de Portugese geschiedenis verbonden. Ze omarmen elkaar en zo reiken ook de thema's en nationale episodes elkaar in beide cycli de hand. De glans en pracht van Portugal keert terug naar de koloniale werkelijkheid van het Portugese Angola, die Lobo Antunes al in 1983 in zijn imposante roman Fado Alexandrino had opgeroepen. Eerder nog was ze het thema geweest van zijn roman De judaskus die in 1991 werd vertaald en waarmee hij in 1979 – het jaar van zijn debuut – de Portugese natie schokte en tegelijk zijn naam als schrijver vestigde.

In de twee laatste boeken benaderde Lobo Antunes de Angolese kwestie vanuit het gezichtspunt van militairen die er, net als hijzelf, in de jaren zeventig de vuile oorlog tegen de onafhankelijkheidsbewegingen hadden uitgevochten. In De glans en pracht van Portugal gaat het om het leven van de Portugese kolonialen die soms al generaties in Afrika woonden en in korte tijd van hun hele bestaan en bezit werden beroofd. Met genadeloze helderheid beschrijft Lobo Antunes hun wrange werkelijkheid aan de hand van de lotgevallen van een kolonistenvrouw en haar drie kinderen, omzwermd door familieleden, kennissen en dienstpersoneel.

In hun herinneringen, die Lobo Antunes als een lange gedachtenstroom oproept, wordt een desolate werkelijkheid zichtbaar waarin niemand aan ontluistering ontsnapt. De moeder is een zelfzuchtige vrouw die in vooroordelen en rassenhaat alleen maar door haar eigen moeder wordt overtroffen. Haar man is een machteloze alcoholist die moet toezien hoe zijn vrouw hem openlijk bedriegt. Van hun drie kinderen is de oudste niet eens haar eigen zoon, maar een bastaardkind, door zijn vader verwekt bij een Afrikaanse kantinejuffrouw. De andere zoon is een sadistische epilepticus, de dochter een cynische nymfomane. Door dat alles heen speelt een verzengende haat jegens alles wat zwart is of daar, zoals de oudste zoon, naar zweemt.

Lobo Antunes laat de drie kinderen in de drie delen die het boek omvat achtereenvolgens aan het woord. Hun overpeinzingen, gedateerd op kerstavond van 1995, worden afgewisseld met de herinneringen van hun moeder (beginnend in juli 1978 en eindigend op diezelfde kerstavond van 1995), die als enige in Angola is achtergebleven en ten slotte door de rebellen wordt terechtgesteld. Met hen komt een wereld ten einde die nooit bestaansrecht had gehad. Gebouwd op leugens, onrecht, geweld en vooral verachting, is de koloniale wereld bij voorbaat verdoemd en sleept het allen die erin verwikkeld raken in zijn verdoemenis mee.

De meest tragische persoon is de oudste zoon, die als halfbloed niet alleen ternauwernood in het gezin wordt getolereerd, maar ook zichzelf nauwelijks lijkt te accepteren. Hij wacht op de bewuste kerstavond vergeefs op zijn halfbroer en -zus, die hij heeft uitgenodigd. Zij komen niet, omdat ze hem verachten, zoals hij op zijn beurt zijn eigen vrouw veracht: een `echte' blanke, weliswaar, maar afkomstig uit wat in zijn ouderlijk huis als een krottenwijk gold. Zijn onttakeling, in een benauwd flatje in Lissabon vol lekkages en klemmende deuren, vindt een tegenhanger in die van zijn broer, opgenomen in een gesticht, en van zijn zus, wegkwijnend als het liefje van een hotemetoot die zijn belangstelling voor haar aan het verliezen is.

Met de ingenieuze vorm van zijn roman en de in directe rede neergeschreven herinneringen waarin hij zich uitdrukt weet Lobo Antunes deze nulgraad van menselijkheid zo beklemmend over te dragen, dat hij bijna letterlijk aan de lezer blijft plakken. Het boek laat een onbehaaglijkheid na die zelfs hij nog niet eerder had bereikt. Waarschijnlijk is de achteloosheid waarmee de fysieke verschrikkingen van de koloniale oorlog worden beschreven daarvoor verantwoordelijk, maar nog beklijvender is de morele verschrikking die het verhaal oproept, juist omdat ook deze zo achteloos en vanzelfsprekend wordt verteld.

In dat opzicht is Lobo Antunes verder gegaan dan Het handboek van de inquisiteurs, waarmee De glans en pracht van Portugal veel gemeen heeft. De structuur van beide boeken is gelijk: meerdere stemmen die achtereenvolgens aan het woord komen met één figuur als spil, waarbij secundaire stemmen het relaas soms kort onderbreken. Ook de manier van schrijven is gelijk: in lange zinnen waarin de hoofdfiguren hun herinneringen vertellen, onderbroken door korte uitroepen, hernomen en opnieuw onderbroken, steeds verspringend alsof de verteller even van zijn à propos is gebracht.

Dat klinkt ingewikkeld en gezocht, maar het leest na een paar bladzijden verrassend natuurlijk, niet in de laatste plaats omdat Lobo Antunes (anders dan in zijn romans uit de jaren tachtig) het verspringen van de stemmen met veel wit en nieuwe regels overzichtelijk heeft gehouden. De vaart die de vertelling daardoor krijgt stuwt het verhaal onverbiddelijk vooruit, hoeveel weerzin het ook oproept. Daarin verraadt zich de hand van een meesterschrijver, die zijn lezer door dik en dun weet voort te jagen tot het einde, en het laus Deo dat ook hij dan verzucht.

António Lobo Antunes: De glans en pracht van Portugal (O Esplendor de Portugal). Uit het Portugees vertaald door Harrie Lemmens. Ambo, 464 blz. ƒ59,50