De kunstenaar is activist

Het Whitney Museum in New York toont een overzicht van Amerikaanse kunst vanaf 1950 - en legt daarbij de nadruk op engagement.

Jarenlang hadden Europese schilders en beeldhouwers de dienst uitgemaakt. Maar met het abstract expressionisme kreeg Amerika in de jaren vijftig van deze eeuw haar eerste eigen kunststroming en werd New York in één klap de nieuwe hoofdstad van de kunstwereld. Wie echter denkt dat schilders als Pollock, De Kooning en Rothko in het naoorlogse Amerika met open armen werden ontvangen, heeft het mis. ,,Betekenisloos, irrationeel, lelijk en on-Amerikaans'' waren de woorden waarmee hun schilderijen werden afgedaan. Conservatieve politici en anti-communistische kruisvaarders zagen deze modernistische kunst als propaganda voor het Kremlin en trachtten tentoonstellingen van de abstract-expressionisten te verbieden. Sommigen gingen zelfs zo ver in hun paranoia dat zij beweerden in de abstracte schilderijen geheime kaarten van strategische militaire doelen te ontdekken.

In de Verenigde Staten is kunst al snel politiek gekleurd, ook al is dat soms door de maker niet eens zo bedoeld. Kunst kan worden ingezet als politiek middel in de strijd om de stem van de kiezer, zo bleek onlangs weer toen de burgemeester van New York, Rudolph Giuliani, tijdens de verkiezingscampagne voor het senatorschap zijn pijlen richtte op de shockerende Britse kunst in het Brooklyn Museum. Hoogoplopende discussies over de vrijheid van meningsuiting en de verkwisting van gemeenschapsgelden werden vervolgens in de media uitgevochten.

In Nederland, waar het kunstdebat over het algemeen nogal lauw is en slechts door een handjevol kenners wordt gevoerd, kijken we hoofdschuddend naar het fanatisme waarmee de Amerikanen zich massaal in de discussie omtrent zaken als censuur storten. Maar in Amerika zijn kunst en politiek al decennia lang nauw met elkaar verweven. Verontrust over de scherpe sociaal-maatschappelijke tegenstellingen in hun land, voelden veel Amerikaanse kunstenaars zich geroepen om kritische uitspraken te doen over politieke misstanden en met hun werk in te gaan op verschillen tussen man en vrouw, blank en zwart of arm en rijk.

Het is nauwelijks voor te stellen dat de Pollocks, de Rothko's en Newmans die nu de muren van het Whitney Museum in New York sieren op het tweede deel van de grootschalige overzichtstentoonstelling van twintigste-eeuwse Amerikaanse kunst en cultuur, `The American Century, 1950-2000', destijds zoveel ophef veroorzaakten. Inmiddels twijfelt niemand er nog aan dat het abstract expressionisme, samen met pop-art, tot de belangrijkste Amerikaanse kunststromingen van deze eeuw gerekend kan worden. Maar hetzelfde kunnen we ongetwijfeld over tien jaar zeggen van de Ofili's, de Hirsts en de Chapmans, die op de tentoonstelling `Sensation' in het Brooklyn Museum voor een van de grootste kunstrellen van de afgelopen tijd hebben gezorgd. Blijkbaar behoeft goede kunst een periode van gewenning, voordat zij door het grote publiek gewaardeerd wordt of in de annalen van de kunstgeschiedenis wordt bijgeschreven.

Provocerend

Het Whitney Museum of American Art, gevestigd in de imposante betonnen kolos van architect Marcel Breuer, heeft zelf een grote reputatie op het gebied van provocerende en politieke kunst. Nergens ter wereld had PC Art (Politically Correct Art) zoveel voeten in de aarde als in de Verenigde Staten en geen museum besteedde zoveel aandacht aan deze stroming als het Whitney. De afgelopen jaren presenteerde het museum op haar tentoonstellingen en biennales regelmatig werk van bijvoorbeeld zwarte, feministische of homoseksuele kunstenaars. En ook op deze ambitieuze, vijf verdiepingen beslaande millenniumtentoonstelling zijn het de kunstenaars met een boodschap die de overhand hebben. Het beeld dat geschetst wordt van de Amerikaanse kunstenaar is dat van een sociaal-geëngageerde, tegen de schenen van het establishment aanschoppende activist.

Vanaf de jaren zestig begonnen politieke ideeën de Amerikaanse kunstwereld op grote schaal te infiltreren, zo blijkt uit de chronologisch opgebouwde tentoonstelling. Andy Warhol maakte zijn Death and Disaster-serie, waarin hij krantenfotos van auto-ongelukken, rassenrellen en elektrische stoelen meerdere keren op één doek zeefdrukte. Edward Kienholz bouwde met een roestig winkelwagentje, een houten krukje en een groezelige schemerlamp een illegale abortuspraktijk na (The Illegal Operation, 1962). En Gordon Matta-Clark sneed met een kettingzaag complete woningen doormidden in zijn anarchistische pogingen sociale structuren te ontmantelen (Splitting: Four Corners, 1974).

Veel kunstenaars, onder wie Carl Andre, Leon Golub, Hans Haacke, Robert Morris en Nancy Spero, gaven eind jaren zestig hun politieke standpunten niet alleen door middel van hun kunst te kennen, maar ondernamen ook daadwerkelijk actie. Actiegroepen werden opgericht om te vechten voor de rechten van de kunstenaar of te demonstreren tegen de oorlog in Vietnam. En ook de museumwereld werd het doelwit van hun ludieke performances: de trappen van het Metropolitan Museum werden in 1969 bestrooid met geld en in de hal van het Museum of Modern Art werd runderbloed vergoten. Hans Haacke legde in een van zijn fotowerken de geldstromen van het Guggenheim Museum bloot (hij toonde de connectie aan tussen grote geldschieters als Philip Morris en Mobil met rechtse organisaties, de CIA en de exploitatie van derde wereldlanden) en kon vervolgens zijn geplande solotentoonstelling aldaar op zijn buik schrijven.

De AIDS-epidemie die in de vroege jaren tachtig een groot aantal slachtoffers binnen de Amerikaanse kunstwereld maakte, vormde voor veel kunstenaars een nieuwe bron van inspiratie. David Wojnarowicz liet na zijn dood in 1992 een aangrijpend oeuvre van schilderijen en fotomontages achter waarin hij zich openlijk uitsprak over zijn homoseksualiteit en zijn angst voor de naderende dood. Nan Goldin maakte met haar fotoserie The Ballad of Sexual Dependency (1976-1992) een ontluisterend en intiem portret van haar vriendenkring van aan alcohol en drugs verslaafde dichters, kunstenaars en travestieten. En ook fotografen als Larry Clark en Robert Mapplethorpe maakten schrijnende, niets verhullende foto's van heroïnespuitende tieners en homoseksuele sado-masochisten.

Voor het door Reagan geregeerde, conservatieve Amerika van die tijd vormden deze progressieve kunstenaars een grote bedreiging van de traditionele normen en waarden. Kunst die niet aan de vaderlandslievende moraal voldeed, werd als pornografisch of obsceen bestempeld en, net als de zogenaamd communistische kunst uit de jaren vijftig, uit de musea verbannen. Rond 1990 bereikten deze culture wars een hoogtepunt, toen onder leiding van de conservatieve senator Jesse Helms een reeks tentoonstellingen, van onder meer Mapplethorpe, Goldin, Clark, Wojnarowicz en Andres Serrano gecensureerd of met sluiting bedreigd werd.

Gulp

Het is grappig om te zien dat alle omstreden kunstwerken van toen nu zonder problemen in een van de meest vooraanstaande musea van New York te zien zijn. In het Whitney krijgen foto's als Piss Christ (1987), een in de urine van kunstenaar Serrano gedrenkt kruisbeeld, en Mapplethorpe's Man in Polyester Suit (1980), waarop een in net pak gestoken zwarte man zijn forse geslachtsdeel uit zijn gulp laat bungelen, een ereplaats tussen de andere bakens uit de Amerikaanse kunstgeschiedenis, zoals de vlaggen van Jasper Johns, de minimalistische sculpturen van Donald Judd en de video-installaties van Bill Viola.

Alhoewel je bij een dergelijk overzicht natuurlijk slechts het topje van de ijsberg kunt laten zien, is het niet de gebruikelijke canon van blanke, mannelijke kunstenaars die hier gepresenteerd wordt. De tentoonstelling in het Whitney wijkt af van de kunstgeschiedenis zoals die in veel overzichtswerken over moderne kunst gebracht wordt - een opeenvolging van stromingen als het abstract expressionisme, pop art, minimalisme, conceptuele kunst, land art en postmodernisme en heeft oog voor de kleine geschiedenissen, zoals de feministische performances uit de jaren zeventig of de alternatieve straatcultuur die in de jaren tachtig in de Lower East Side van New York ontstond. De uiterst lezenswaardige catalogus, waarin curator Lisa Philips in toegankelijke thematische artikelen een vrij volledig beeld van de Amerikaanse cultuur na 1950 schetst, zou heel goed als nieuw standaardwerk kunnen dienen.

Na het zien van `The American Century, Part II' begrijp je eigenlijk niet zo goed waarom burgemeester Giuliani nu juist de Britse kunst in het Brooklyn Museum er heeft uitgepikt als doelwit van zijn razernij. Veel van de recente Amerikaanse kunst in het Whitney is veel prikkelender, uitdagender, diepgaander, politieker en provocatiever dan de gehypte Brit-art op `Sensation'. Het lijkt wel of op ieder werk op `Sensation' een Amerikaans antwoord te geven is. Het bloed dat uit de arm van performancekunstenaar Chris Burden stroomt nadat hij zich door een vriend in zijn arm heeft laten schieten, lijkt betekenisvoller dan het bloed op de tampons van de Engelse Tracey Emin. En uit de latex fallussen van Louise Bourgeois spreekt meer agressie en seksualiteit dan uit de banale kaarsen en meloenen van de Britse Sarah Lucas. Met de imposante kameel uit 1968 van Nancy Graves heeft het Whitney zelfs zijn eigen opgezette beest weliswaar niet doorgezaagd, zoals de koeien en varkens van de Engelsman Damien Hirst, maar gewoon in zijn waarde gelaten, onschuldig snuffelend aan de tegels van de museumvloer.

The American Century Part II, 1950-2000, t/m 13 februari 2000 in het Whitney Museum of American Art, Madison Avenue at 75th Street. Di t/m zo 11-18u, do 11-20u. Catalogus US$ 40,-. Informatie: tel 0031 212 570 3676 of www.whitney.org.

De omsterden foto's van Mapplethorpe krijgen een ereplaats tussen andere bakens uit de Amerikaanse kunstgeschiedenis

Hoofdschuddend kijken we naar het massale fanatisme waarmee de Amerikanen zich in de censuur-discussie storten