De kleine triomf van het middenkader

Zes boeken zijn genomineerd voor de Generale Bank Literatuurprijs, die zondag wordt uitgereikt. Geen grote namen, wel `verrassingen', volgens juryvoorzitter Aad Nuis. Maar hoeveel verrassing is nog mogelijk in een literaire cultuur die zich heeft uitgeleverd aan het spektakel?

14342

Onder de genomineerden voor de Generale Bank Literatuurprijs van dit jaar zitten geen `grote namen', luidde het commentaar toen de zes gelukkigen drie weken terug bekend werden gemaakt. Inderdaad, bij `grote namen' denkt niemand meteen aan Oscar van den Boogaard, Karel Glastra van Loon, Joris Note, Maria Stahlie, Frank Westerman en Henk van Woerden. Bij de meeste lezers zullen zij geen markant beeld oproepen. Ik zou degenen niet graag de kost geven die zich hebben afgevraagd: wie mogen dat nu weer wezen?

Toch hebben ze ieder al meerdere boeken op hun naam staan, er zit niet één debutant tussen. Alleen voor Glastra van Loon is de genomineerde roman Passievrucht zijn tweede boek. Ook dat Frank Westerman met De graanrepubliek niet direct herkenning wekt bij de literaire lezer, is begrijpelijk. De Generale Bank Literatuurprijs maakt een selectie uit fictie én non-fictie, en deze nominatie behoort tot de laatste categorie. Maar de overigen hebben `gewoon' twee of meer romans, respectievelijk verhalenbundels geschreven.

Het heeft niet mogen baten, zo blijkt. Want op de bekendmaking van de nominaties is een oorverdovende stilte gevolgd. Binnen noch buiten het literaire circuit was de afgelopen weken ook maar iets van debat, laat staan opwinding te bespeuren. Vanwaar deze lauwheid, die ik – eerlijk is eerlijk – ook bij mijzelf waarnam, terwijl ik van bijna alle genomineerden toch wel iets heb gelezen. Ligt het aan de auteurs, ligt het aan mij, of is er misschien ook nog iets anders aan de hand?

Met uitzondering van Glastra van Loon (die te kort bezig is om er al iets van te kunnen zeggen) en de journalist Westerman behoren de genomineerden tot wat je het middenkader van de Nederlandse literatuur zou kunnen noemen, het grote peloton van hard werkende schrijvers, wier vasthoudendheid zo nu en dan met een herdruk wordt beloond, zonder dat het – buiten de advertenties van hun uitgevers – met veel ruchtbaarheid gepaard gaat. De meesten hebben wel eens een prijs gekregen en zijn ook al eerder genomineerd voor een van de andere grote prijzen, de Libris Literatuurprijs of de Gouden Uil. Gaat het echter om het gezicht van de Nederlandse literatuur, dan zul je niet zo gauw aan een van hen denken.

Het is de vraag of de roman Liefdesdood (Van den Boogaard), de verhalenbundels Kindergezang (Note) en Zondagskinderen (Stahlie) en de persoonlijke documentaire Een mond vol glas (Van Woerden) daar verandering in weten te brengen.

Het gezicht van de Nederlandse literatuur – zo'n kreet kun je op twee manieren opvatten: letterlijk en figuurlijk. Wie weet hoe Oscar van den Boogaard en de overige genomineerden eruit zien? Weinigen, ben ik bang, terwijl iedere geïnteresseerde lezer de neus van Harry Mulisch kent, de gegroefde kop van Gerard Reve, de melancholische blik van Cees Nooteboom of het piekhaar van Connie Palmen. Hun fysionomie behoort letterlijk tot het gezicht van de Nederlandse literatuur, net zoals dat voor hun werk in figuurlijke zin opgaat. Zodra hun naam valt, doemt er prompt een beeld op: van kosmische raadsels, van alcohol en meedogenloze jongens, van Duitsland en Spanje, van Ischa Meijer.

Uiterlijk en innerlijk, werk en smoelwerk zijn bij hen niet meer van elkaar te scheiden. Een aanwijzing dat de `spektakelmaatschappij' (de term is van de Franse situationist Guy Debord) ook in de literatuur haar intrede heeft gedaan.Succes en erkenning leiden automatisch tot een zichtbare aanwezigheid in de media. Iemand als Adriaan van Dis demonstreert bovendien dat deze weg ook in omgekeerde richting kan worden afgelegd: zijn literaire succes valt niet los te zien van zijn nationale bekendheid als televisieheld.

Wie de aandacht van de media eenmaal getrokken heeft, raakt deze niet meer zo makkelijk kwijt. Niets genereert zoveel succes als succes. De uitgevers hebben dat goed begrepen, getuige de advertenties waarin behalve naam en titel nog alleen het aantal verkochte exemplaren wordt vermeld. Een schaamteloos appel aan het conformisme van de lezer, die wordt verondersteld slechts te willen lezen wat anderen ook al hebben gelezen. Tussen spektakelmaatschappij en literair bedrijf bestaat een lucratieve medeplichtigheid.

Het is een ongenaakbaar mechanisme dat hier aan het werk is. Klachten en protesten lijken er geen greep op te krijgen. Eén van die klachten komt erop neer, dat literaire kwaliteit nog maar een secundaire rol speelt. Niets garandeert tenslotte dat wie het meest zichtbaar is en het meest verkoopt ook het beste boek heeft geschreven. Eerlijk is anders, en auteurs die zich ten onrechte genegeerd achten kunnen er alleen maar op hopen dat de geschiedenis straks rechtvaardiger zal zijn. In de tussentijd mogen zij zich troosten met de lof van een enkele criticus, al leidt dat in de meeste gevallen niet meer tot een run op de boekhandel.

Troost biedt natuurlijk ook een nominatie. Maar dat niet alleen: wie genomineerd wordt voor een grote prijs, ziet plotseling de erehemel van de `grote namen' wenken. Het mechanisme van spektakel en bedrijf verandert van een belemmering in een serieuze kans op roem en succes. Verlost van zijn betrekkelijke anonimiteit, krijgt de genomineerde schrijver even een `gezicht' - in de beide betekenissen van het woord. De grote prijzen ontlenen er hun belangrijkste functie aan, ze vormen een niet te versmaden ingang tot het literaire spektakel. Niet voor niets worden hun nominaties en uitslag per televisie bekend gemaakt.

De jury van de Generale Bank Literatuurprijs lijkt daar tot in haar selectie van dit jaar rekening mee te hebben gehouden. Toen jury-voorzitter Aad Nuis in het gezellige babbeluurtje van Hanneke Groenteman de `short list' bekend kwam maken, noemde hij als belangrijkste motief dat de jury de genomineerde boeken het meest `verrassend' had gevonden. Verrassing kan, net als originaliteit, stilistische brille of authenticiteit, gelden als een literaire kwaliteit. Maar ditmaal bleek er ook nog iets anders mee te spelen. Op de vraag waarom er geen `grote namen' genomineerd waren, antwoordde Nuis immers dat de jury hún boeken minder verrassend had gevonden, niet vanwege een gebrek aan literaire kwaliteit, maar omdat men het voorgaande werk te goed kende.

Onbekendheid blijkt dus ook een voordeel zijn. Dat opent perspectieven, maar de verrassing houdt nu wel op een literaire kwaliteit te zijn. Zoals door Nuis geformuleerd past zij eerder in het mechanisme van spektakel en bedrijf, dat nu eenmaal behoefte heeft aan permanente afwisseling en variatie - naast de niet minder permanente herhaling die de cultus van de `grote namen' met zich mee brengt. Voor de bevrediging van deze behoefte beschikt de literatuur over een schier onuitputtelijk reservoir: het middenkader, waaruit bijna alle genomineerden van dit jaar afkomstig zijn.

Het klinkt misschien denigrerend om zomaar, zonder kritische argumenten, over een `middenkader' te spreken. Het woord roept associaties op met gemiddeld en middelmatig: pijnlijke kwalificaties voor een schrijver met literaire ambitie. Maar het midden wordt in dit geval niet door een kritisch literair oordeel bepaald; het is het publicitair en bedrijfsmatig mechanisme dat, los van de literaire kritiek, op grond van publieksgunst de rangorde creëert. Helemaal nieuw is dit niet, de wetten van publiciteit en economie doen al minstens twee eeuwen hun invloed gelden in de literatuur. Het verschijnsel heeft alleen nog niet eerder zo'n overweldigende omvang aangenomen.

Het gevolg is een kwalitatieve verandering, die het gezicht van de Nederlandse literatuur er heel anders doet uitzien dan in het verleden. Ook vroeger waren er `grote namen', maar die hadden niets te danken aan het - toen ontbrekende - mediale spektakel dat nu de literatuur in de huiskamer brengt. Ook bestond er nog geen dwingend verband tussen literaire reputatie en verkoopcijfers. In het oeuvre van Vestdijk of Du Perron zul je niet veel bestsellers aantreffen; bestsellers behoorden doorgaans tot een ander domein, dat niet tot de literatuur werd gerekend.

Pas in de jaren zestig begint de massacultuur, met haar spektakel en bedrijfsmatige organisatie, de literatuur te veroveren, met als eerste product Ik Jan Cremer. Bij schrijvers als Hermans, Reve en Mulisch, die toen óók met spectaculair vertoon en niet alleen met boeken hun reputatie vestigden, blijft het nog binnen de perken. Succes bij de massa en literair niveau vielen in hun geval samen, en de literatuurgeschiedenis heeft hun prominente positie sindsdien alleen maar bevestigd. Het gezicht van de Nederlandse literatuur uit die dagen ziet er - de veranderde omstandigheden ten spijt - nog altijd uit als vanouds, solide en overzichtelijk.

Tegenwoordig kan dat niet meer worden gezegd. De toekomstige literatuurhistorici zijn niet te benijden. Hoe moeten zij ooit wegwijs worden in de chaotische literaire overvloed waarop het publiek jaarlijks wordt vergast? Aan de hand van de `grote namen' die zijn komen bovendrijven? Aan de hand van de nominaties voor de Generale Bank Literatuurprijs? Deze laatste hebben dit jaar alvast één ding op de `grote namen' voor: ze vestigen de aandacht op dat vlijtige middenkader, dat maar zelden het volle licht van de schijnwerpers weet te vangen.

En voorzover een literatuurgeschiedenis een literaire norm veronderstelt, zal er ook dáár moeten worden gekeken. `Grote namen' garanderen immers niet per definitie literaire kwaliteit, aangezien ze hun grootheid voor een deel danken aan een mechanisme dat aan literatuur als zodanig geen boodschap heeft. Massacultuur en literaire cultuur gehoorzamen aan dezelfde principes: daaruit bestaat de nieuwe, kwalitatieve verandering.

Het is onmogelijk om vooruit te lopen op de latere geschiedschrijving. Je kunt hoogstens een poging wagen, bijvoorbeeld door erop te wijzen dat het onverstandig zou zijn de Generale Bankprijs-nominaties van dit jaar klakkeloos te beamen. Waarom? Omdat bij de selectie de bedoelde principes óók een rol hebben gespeeld, getuige de toelichting van de jury-voorzitter. Of er werkelijk van `verrassingen' sprake is, valt dus alleen te achterhalen wanneer je de genomineerde boeken zelf gaat lezen.

Karel Glastra van Loon heeft er in elk geval zijn best voor gedaan, door zijn roman De passievrucht van een ingenieuze plot te voorzien. Zijn boek is een whodunit zonder moord: een vader gaat radeloos op zoek naar de verwekker van zijn kind, nadat hij gehoord heeft zelf onvruchtbaar te zijn. De ontknoping verrast, zoals het ontknopingen betaamt, de roman als geheel veel minder, ondanks de spanning en het raffinement van de compositie. Het vakmanschap van de schrijver dwingt ontzag af, maar weet je eenmaal hoe het zit, dan verdampt het verhaal, net als bij een gewone detective.

Minder spannend en opzichtiger `literair' is Oscar van den Boogaards roman Liefdesdood, over de dood van een dochtertje waardoor een huwelijk blijvend wordt verstoord, terwijl achteraf blijkt dat de verstoring ook al voordien aanwezig was. De roman heeft iets van een muziekstuk: het klinkt fraai en zou mij ongetwijfeld hebben geroerd, ware het niet dat ik allergisch ben voor de combinatie van fletse personages en een schöngeistige stijl. In zijn eerste boeken was Van den Boogaard bizar en daardoor intrigerend; sinds zijn vorige roman De heerlijkheid van Julia geeft hij helaas de voorkeur aan kitsch, zij het vakkundig gemaakte kitsch.

Vakmanschap - dat lijkt, eerder dan verrassing, tot nu toe de gemeenschappelijke noemer van deze nominaties. Ook Maria Stahlie weet hoe ze een verhaal moet vertellen. Zondagskinderen is als ik me niet vergis alweer haar achtste boek sinds haar debuut uit 1987. Geen wonder dat haar verbeelding, zoals de schrijfster in het inleidende verhaal meldt, last heeft gekregen van uitputting. Maar zie, overspel en beroerte in een wijk vol knusse doorzonwoningen weten het manco te verhelpen. Met als gevolg een nieuwe bundel vol monter vertelde verhalen, kleine drama's met gekke kanten, die zich nauwelijks van de oppervlakte losmaken maar waaruit wèl een eigen toon opklinkt. Sympathiek en innemend zijn ze, de verhalen van Maria Stahlie, ik heb ze met plezier gelezen. Maar dat ze een diepe indruk maken, nou nee.

Diep is ook bij de Vlaming Joris Note niet het juiste woord. Toch hebben de vier verhalen in Kindergezang mij meer gedaan dan de drie vorige nominaties. Misschien wel omdat het onmiskenbaar ook bij hem aanwezige vakmanschap zich nergens naar de voorgrond dringt. Hij vertelt geen verhalen met een duidelijke plot, maar laat zijn meer of minder gestoorde vertellers ongegeneerd hun gang gaan. Alle associaties en gedachten die onder hun schedeldak opkomen, krijgen een kans het verhaal even een zijpad op te sturen, waardoor het vertellen zelf de aandacht voor zich opeist. Sterker nog dan bij Stahlie is het de toon waar het om gaat. Note's bundel vond ik inderdaad een verrassing, maar vooral omdat ik van hem nog nooit iets had gelezen. (Zelfs een recensie moest hij tot nu toe ontberen, een verzuim dat elders in dit katern wordt goedgemaakt.) In het middenkader heeft hij niettemin diverse verwanten, zoals Marie Kessels, Atte Jongstra en Kees 't Hart; alleen het sappige, in Hollandse oren zo exotisch klinkende Vlaams ontbreekt bij hen.

Van Henk van Woerden heb ik zijn vorige boeken wèl gelezen. Te gemaniëreerd vond ik ze, van een tamelijk steriel estheticisme. Dat geldt niet voor Een mond vol glas, waarin Van Woerden het spoor nagaat van de moordenaar van Hendrik Verwoerd, met als apotheose een lijfelijke ontmoeting. De stijl is eenvoudiger, directer, en daardoor pakt de hernieuwde confrontatie met het eigen Zuidafrikaanse verleden (én met de wereld van na de apartheid) ditmaal overtuigender uit dan de beide vorige keren. Fictie kun je dit boek onmogelijk noemen, het is een combinatie van reisverslag en vie romancée, maar de voortdurend merkbare persoonlijke inzet en betrokkenheid (Van Woerden moet iets van zijn eigen ontheemding in de ongelofelijke biografie van Verwoerds moordenaar hebben herkend) verlenen er soms ook de trekken aan van een autobiografische roman, hoewel het door de schrijver nergens zo wordt genoemd.

Gedachten aan een roman, zij 't geen autobiografische, zouden evengoed kunnen opkomen naar aanleiding van De graanrepubliek van Frank Westerman: het is met veel empathie geschreven, er komen dialogen in voor, en het bevat een kleurrijk verhaal met daarin weer allerlei kleinere kleurrijke verhalen. De roman is een tolerant genre, maar we moeten het niet overdrijven. Bij Van Woerden was het al op het randje, bij deze historische reportage in boekvorm over de rode agrariërs in het Groningse Oldambt heeft het geen zin meer de zaak te forceren. Aan het gezicht van de Nederlandse literatuur voegt Westerman, net als zijn literaire collega Geert Mak, een interessant doch andersoortig facet toe, waarvoor de literatuurgeschiedenis straks maar een afzonderlijk hoofdstuk moet reserveren.

Hoe zit het met de overige genomineerden? Mogen zij dat gezicht eveneens komen versterken? Waarom niet, zou ik zeggen. Maar hetzelfde geldt voor zoveel andere auteurs die evenmin verwend worden met de innige affectie van het grote publiek en die om deze reden even `verrassend' zouden zijn geweest. Hier ligt, naar ik vermoed, de voornaamste reden voor de lauwheid, waarmee de nominaties tot nu toe zijn ontvangen. Deze `short list' heeft geen duidelijke en exclusieve urgentie, behalve voor de genomineerden. Voor de lezer zie ik geen doorslaggevend motief om uitgerekend aan deze boeken de voorrang te geven. En dat relativeert meteen het belang van de vraag wie aanstaande zondag de prijs in ontvangst mag nemen.

Als de huidige Nederlandse literatuur met haar spektakel en bedrijf ergens aan doet denken, dan is het aan een oerwoud waarin de lezer steeds meer zijn eigen pad moet zien te kappen. Grote prijzen en grote namen kunnen daarbij helpen, soms. Maar de lezer die het in de eerste plaats om literatuur is te doen, zal nooit vergeten dat hij er in dit oerwoud alleen voor staat.

Zie ook pagina 5, Nederlandse literatuur.

De winnaar van de Generale Bank Literatuurprijs wordt zondagmiddag 24 oktober bekend gemaakt in het VPRO-televisieprogramma De Plantage.