De grootste schurkenstreken

De Italianen Parretti en Fiorini werden vorige week in Italië gearresteerd op verzoek van de Amerikaanse justitie. Ze worden beschuldigd van miljardenzwendel. Het gebeurde allemaal in Nederland, in samenwerking met Crédit Lyonnais Bank Nederland, en onder het oog van gerenommeerde maar blijkbaar zeer goedgelovige Nederlandse bestuurders. Wat heeft zich afgespeeld?

In het voorjaar van 1989 werd de slaperige Amsterdamse beurs opgeschrokken door een opmerkelijke vertoning. In een van de luxe-suites van het hoofdstedelijke Hotel l'Europe presenteerde een enigszins gezette, vriendelijk glimlachende Italiaan, met blozende ronde wangetjes en intelligente glinsteroogjes achter brilleglazen, zijn plannen voor de introductie van een nieuw beursfonds aan de gespecialiseerde vakpers.

,,We willen een nieuwe, Europese media-reus creëren'', sprak de Italiaan in gebroken Engels. De gekapitaliseerde waarde van de nieuwe onderneming moest de topfondsen naar de kroon steken: er lag een onderhandse emissie van 1,1 miljard gulden klaar waarmee een overnamekas zou worden opgebouwd van totaal 1,5 miljard gulden. Nederland zou het centrum worden van een miljardenhandel in film- en televisieproducties. Grote partijen waren in het project betrokken. Nee, namen noemde hij liever niet, maar hij zou geruchten niet ontkennen dat Robert Maxwell en Sylvio Berlusconi belangstelling voor de nieuwe mediagigant hadden.

De Italiaan heette Florio Fiorini. De bank die de introductie begeleidde was Crédit Lyonnais Bank Nederland (CLBN). Fiorini beloofde dat hij een nadere toelichting op het project zou komen geven samen met zijn zakenpartner en landgenoot Giancarlo Parretti.

Tien jaar later is een deel van Fiorini's aankondigingen bewaarheid, alleen niet op de manier zoals tijdens de presentatie in Hotel l'Europe werd voorgespiegeld. Het op het Damrak genoteerde Melia International zou inderdaad uitgroeien tot houdstermaatschappij van een omvangrijk belang in de mediasector: de Amerikaanse filmstudio MGM. En inderdaad: Nederland werd voor de Italianen een paradijs waarin ze ongestoord hun handeltjes in miljarden dollars konden verrichten.

Parretti en Fiorini werden begin vorige week gearresteerd in Italië in de uitleveringsprocedure die door justitie in Los Angeles tegen hen is gestart. Zij worden verdacht van meer dan vijftig delicten, waaronder omkoping van Nederlandse bankiers, het bedriegen van De Nederlandsche Bank en andere toezichthouders, valsheid in geschrifte, meineed, fraude en het witwassen van zwart geld. Volgens de officieren van justitie die de afgelopen drie jaar de dossiers over de Italianen samenstelde betreft het een van de meest complexe en omvangrijke dossiers uit de Amerikaanse geschiedenis.

Volgens een rapport van de Franse Rekenkamer zouden Parretti en Fiorini uiteindelijk het onwaarschijnlijke bedrag van 25,8 miljard Franse franc, ongeveer tien miljard gulden, aan leningen hebben weten los te praten, waarvan het grootste deel werd gesluisd via het Nederlandse CLBN.

Giancarlo Parretti (57) en zijn vroegere zakenpartner Fiorini (58) kwamen voor het eerst in contact met de Crédit Lyonnais Bank Nederland in mei 1987. Parretti was toen reeds verwikkeld in verschillende frauduleuze faillissementen en veroordeeld wegens oplichting en geweldpleging. Fiorini was als topman van het Italiaanse staatsbedrijf ENI de laan uitgestuurd wegens het op eigen houtje wegsluizen van gelden naar de ,,bankier van het Vaticaan'', Roberto Calvi. De Italianen klopten bij CLBN aan met de mededeling dat ze de in financiële problemen verkerende onafhankelijke filmstudio Cannon uit het moeras wilden helpen. Cannon, toen nog in handen van de Israeliërs Menachem Golan en Yorum Globus, had een stevige basis in Nederland. De onderneming was weliswaar aan de beurs van New York genoteerd, maar bezat met de voormalige Rank-Tuschinsky theaters (thans Pathé) de belangrijkste bioscoopketen in Nederland. En de huisbankier was CLBN, voorheen Slavenburg's Bank, waar zich een indrukwekkende divisie voor de financiering van onafhankelijke filmproducenten in Hollywood had ontwikkeld.

Ondanks hun dubieuze achtergrond kregen beide Italianen ruim toegang tot de Franse bestuursvoorzitter van CLBN, Georges Vigon. Opmerkelijk, omdat Vigon gold als een scherpe bankier die zich niet makkelijk in de luren liet leggen. De Italianen hebben volgens de Amerikaanse justitie echter al vanaf het eerste moment van de overneming van Cannon, al dan niet gezamenlijk met de bank, de zaak geflest. Golan en Globus, de vorige eigenaars, hadden bij Cannon een administratieve puinhoop achtergelaten die hen zelfs in aanvaring bracht met de Amerikaanse beurstoezichthouder SEC. De onderneming had plechtig moeten beloven voortaan zoiets als een boekhouding bij te houden die ,,niet vals en misleidend'' was. Maar ondanks deze afspraak kon Cannon worden overgenomen terwijl de Italianen nauwelijks eigen geld op tafel hoefden te leggen: de bank schoot het geld voor de overneming voor. Anders dan werd voorgespiegeld en in strijd met alle regels.

Onder de nieuwe eigenaren stegen de kredieten aan Cannon, dat later werd omgedoopt tot Pathe Communications, explosief: waren de uitstaande leningen in mei 1987 nog tussen de 50 en 60 miljoen dollar, aan het einde van hetzelfde jaar was de schuldenlast al bijna verviervoudigd tot 210 miljoen dollar. Eind 1989 werd de magische grens van een miljard dollar overschreden.

De opmerkelijke groei van de leningen aan het Italiaanse duo, wiens frauduleuze achtergrond inmiddels breed in de publiciteit was gekomen, ging niet geheel voorbij aan de aandacht van De Nederlandsche Bank. Al begin 1989 waarschuwde DNB de bank in Rotterdam dat er sprake was van een ,,exorbitant'' risico. CLBN beloofde beterschap, maar trok zich vervolgens niets aan van de centrale bank. Woedend dat alle wettelijke limieten voor leningen aan een klant waren overschreden, lichtte DNB de Franse bankcommissie in en eiste een garantie van de moederbank in Parijs.

In wat zich laat lezen als een nuttige handleiding voor aankomende fraudeurs legt de aanklacht van de Amerikaanse justitie uit hoe de Italianen en de bank eendrachtig probeerden hun groeiende schuldenlast aan het oog van de toezichthouders te onttrekken. Een deel van de Britse en alle Nederlandse bioscooptheaters werden door Pathe Communications verkocht aan een onbekende onderneming, Cinema 5, om vervolgens weer te worden teruggehuurd door Pathe. Van de verkoopopbrengst werd 185 miljoen dollar cash gebruikt om de schulden aan de bank af te lossen. De Nederlandsche Bank kon tevreden zijn.

Cinema 5, voorheen Cannon Japan, was echter een lege postbusmaatschappij die door Fiorini werd opgetuigd en door CLBN werd gefinancierd. De naamgeving suggereerde dat het hier een bedrijfje uit de stal van de Italiaanse tycoon Berlusconi betrof en het tot tweemaal toe vervalsen van de handtekening van diens financiële directeur moest dat verder aannemelijk maken. De SEC werd bij herhaling schriftelijk voorgelogen dat Cinema 5 een onafhankelijke onderneming was, die niets met Parretti en Fiorini te maken had.

In werkelijkheid gebeurde er helemaal niets. De 185 miljoen dollar van de transactie verschoof hooguit op een rekening van de bank, de theaters bleven in gebruik bij Pathe en de schuld van de Italianen werd alleen maar hoger.

Gealarmeerd door de berichtgeving rond de zaak – de transactie werd in de pers met ongeloof ontvangen – stuurde toenmalig DNB-directeur Nout Wellink een brandbrief naar de president Jean-Yves Haberer van Crédit Lyonnais in Parijs met het verzoek om meer informatie. ,,...We willen zekerheid hebben dat de nieuwe debiteuren op geen enkele manier [...] met de oude in verband staan.'' Wellink hoefde zich geen zorgen te maken, schreef Haberer terug. En de schuldenlast zou nog voor eind maart 1990 aanzienlijk worden teruggebracht.

De Cinema 5 transactie bleek evenwel slechts een bescheiden vingeroefening van de Italianen. In 1990 zouden Parretti en Fiorini de Amerikaanse filmstudio MGM/UA overnemen voor 1,3 miljard dollar. Nadat de ene na de andere medefinancier afviel, was het voornamelijk CLBN die achter de betalingen zat. Door middel van een wolk aan leningen aan houdstermaatschappijtjes van het Italiaanse duo werd evenwel de schijn gecreeerd dat de bank er niets mee te maken zou hebben.

Onder het toezicht van De Nederlandsche Bank, de Amsterdamse beurs, de SEC en externe accountant KPMG hadden Parretti en Fiorini een miljardenimperium geschapen dat voornamelijk dreef op de leningen vanuit Nederland. De Amerikaanse officier van justitie Jeff Isaacs sprak zijn verbazing uit over de chaos die hij in de boeken van CLBN aantrof: documentatie van de leningen ontbrak doorgaans. ,,Leningen van 50 miljoen dollar, 100 miljoen en 150 miljoen waren alleen terug te vinden als een korte notitie op een kladpapiertje. Wie het geld kreeg, waarheen het werd gestuurd en waarvandaan, tegen welke condities, wie er verantwoordelijk voor was: het ontbrak simpelweg'', aldus de officier.

Volgens de Amerikaanse justitie lijdt het geen twijfel dat de top van CLBN door de Italianen is omgekocht. Hoewel in de gerechtsstukken niemand met name wordt genoemd, valt uit de context op te maken dat het hier in ieder geval Georges Vigon betreft, alsmede het vroegere CLBN-bestuurslid Jacques Griffault. De omkoping zou daarbij hebben bestaan uit aanvankelijk waardeloze aandelen in een van de vele houdstermaatschappijtjes van Parretti en Fiorini, die vervolgens met een lening van 27 miljoen van CLBN werd opgekrikt. Zelfs hun eigen omkoping werd door de bankiers gefinancierd. Voorts waren er nog vakantietripjes en schilderwerken die er op het eerste oog duur uitzagen.

Meer dan tien jaar na dato kijken veel betrokkenen nog altijd in verbijstering terug op het gemak waarmee Parretti en Fiorini in Nederland ongestoord hun gang konden gaan. ,,Ik kon toen al amper geloven dat de grootste schurkenstreken zich voor mijn ogen afspeelden terwijl niemand aan de bel trok'', zegt drs. P.P.F. de Vries, directeur van de Vereniging van Effectenbezitters VEB). Hij woonde menig turbulente aandeelhoudersvergadering bij van de beursgenoteerde bedrijven Bobel, Chamotte Unie en Melia International die tot het imperium van de Italianen behoorden. ,,Nederland ziet zich graag als een beschaafd land, maar wat de toezichthoudende structuur in de financiële wereld betreft is het hier de rimboe.'' Volgens De Vries is het onbegrijpelijk dat De Nederlandsche Bank niet veel harder heeft ingegrepen. Maar ook het ingrijpen van de Amsterdamse beurs, toen nog een vereniging, beperkte zich tot het tijdelijk uit de officiële notering halen van twee beursfondsen van de Italianen. ,,En daar zijn ze nu nog trots op'', aldus De Vries. Het openbaar ministerie liet al helemaal niet van zich horen.

Wat de directeur van de VEB eveneens nog helder voor de geest staat is de stoet aan gewichtige Nederlandse bestuurders die zich – de evidente twijfels ten spijt – voor het karretje van de Italianen lieten spannen. Zoals de voorzitters van de raad van commissarissen van CLBN, G.H. van Driel en mr. A.P.J.M.M. van der Stee, die kritische vragenstellers steevast vanuit de hoogte met een kluitje in het riet stuurden. En vooral voormalig Boskalis-topman ir. J. Kraaijeveld van Hemert, die zich als president-commissaris van zowel Bobel als Chamotte Unie te midden van de algehele plundering boos maakte over de ,,hetze'' in de pers en bij de aandeelhouders over de betrouwbaarheid van de Italianen. ,,Of niet integer, of verbijsterend naïef'', oordeelt De Vries over het gedrag van de bestuurders en commissarissen.

De enige actie die uiteindelijk enige sporen van toezicht heeft achtergelaten is de op verzoek door de VEB uitgevoerde bedrijfsenquête naar Bobel die in 1996 het licht zag en die concludeerde dat de Italianen, de bestuurders en de commissarissen zich schuldig hadden gemaakt aan wanbeleid. Dat laatste werd later door de Ondernemingskamer in een harde uitspraak nog eens bevestigd: het wanbeleid was zo omvangrijk dat de bestuurders en commissarissen er wel van geweten moesten hebben. Bobel-curator mr. B. De Roy Zuidewijn hoopt in de zaak, die hij als erg omvangrijk beschrijft, alsnog het openstaand faillissementtekort van 37 miljoen gulden op de betrokkenen te verhalen.

Sinds het imperium van Parretti en Fiorini in 1991 onder zijn schuldenlast in elkaar stortte, is de strafrechtelijke afwikkeling slechts hortend en stotend op gang gekomen. Het meest energiek werd de zaak aangepakt in Zwitserland, waar de door CLBN gefinancierde houdstermaatschappij Sasea van Florio Fiorini een gapend gat van 5,1 miljard Zwitserse frank achterliet, het grootste faillissement uit de geschiedenis van het land. Na een omvangrijk onderzoek werd Fiorini veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf wegens fraude, waar de Italiaan overigens nog niet de helft van uitzat. In Frankrijk is Parretti eerder dit jaar bij verstek veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf. In Los Angeles werd Parretti – eveneens bij verstek – veroordeeld tot het terugbetalen 1,4 miljard dollar wegens fraude bij de overneming van MGM en plundering van de studio.

Justitie in Los Angeles lijkt evenwel vast van plan om de zaak tegen beide Italianen nu ook strafrechtelijk tot het einde uit te vechten. ,,We zaten met een miljardenzaak en niemand nam actie'', aldus een betrokkene. ,,De Nederlanders niet omdat ze de rekening naar de Fransen hadden doorgeschoven. De Fransen niet vanwege politieke verwikkelingen. En de Italianen helemaal al niet. Dus besloten wij het maar te doen.'' Om de zaak niet nodeloos te compliceren werd met het Franse Crédit Lyonnais een overeenkomst gesloten. In ruil voor een unieke schuldbekentenis en excuses – tot dusver ontkende Parijs iedere verantwoordelijkheid – en een symbolische boete van vier miljoen gulden, werd de bank buiten verdere vervolging gesplaatst. Een beloning voor hun medewerking aan het onderzoek en de twee miljard dollar die de bank nog eens extra in het Amerikaanse MGM moest stoppen om de zaak op de been te houden.

Dit is het eerste artikel van een korte serie. Morgen in Z deel twee.