De Booker Prize

Eén Engelsman, één Schot en vier schrijvers uit de voormalige Britse koloniën zijn genomineerd voor de prestigieuze Booker Prize, die dit jaar voor de 31ste keer wordt uitgereikt. Tot verbazing en zelfs woede van de Engelse critici waren de literaire zwaargewichten Salman Rushdie en Vikram Seth, die beiden veelgeprezen romans publiceerden, daar niet bij. Maar ach, zonder controverse zou de belangrijkste prijs van het Engelse taalgebied haar bestaansrecht verliezen.

De meest geruchtmakende titel van de shortlist, Disgrace van de Zuid-Afrikaan (en eerdere Booker-prijswinnaar) J.M. Coetzee, werd twee maanden geleden in Boeken besproken door Corine Vloet; zij noemde de bij Secker & Warburg verschenen roman `een somber verhaal van schuld, schande en boete in Zuid-Afrika' en prees `Coetzees koele sobere stijl' en zijn onthutsende uitwerking van het oude Coetzee-thema `schuldbesef'.

Over het enige debuut op de shortlist, de generatieroman Our Fathers van de Schot Andrew O'Hagan (Faber & Faber) schreef Corine Vloet in de paperbackrubriek van 7 mei 1999: `Aan het eind van deze prachtig geschreven roman is [de hoofdpersoon] verzoend met zijn verleden, toekomst, zichzelf en diverse familieleden. Maar misschien is dat wel inherent aan dit soort familiesaga's.'

Drie dagen voor de uitreiking van de Bookerprize – op 25 oktober in de Londense Guildhall – worden op deze pagina de overige vier boeken van de shortlist besproken: The Map of Love van Ahdaf Soueif, The Blackwater Lightship van Colm Toíbín, Fasting, Feasting van Anita Desai en Headlong van Michael Frayn. Als we afgaan op de oordelen in NRC Handelsblad, gaat het maandagavond tussen deze laatste twee titels en natuurlijk Disgrace van J.M. Coetzee.