Amsterdam heeft Audi nodig

Het Stedelijk Museum en het autobedrijf Audi zijn de afgelopen weken steeds scherper veroordeeld vanwege hun plannen voor een nieuwe vorm van kunstsponsoring.

Een ernstig geval van culturele smetvrees heerst in Amsterdam - en naar het zich laat aanzien ook in andere delen van het land.

De eerste bij wie het verschijnsel zich voordeed was het Amsterdamse PvdA-raadslid Sybren Piersma, die twee weken geleden in staat van grote opwinding een besloten vergadering van de cultuurcommisie verliet. Nee, hij kon niks zeggen over het vertrouwelijke sponsorcontract tussen Audi en het Stedelijk Museum dat hij net besproken had. Maar hij wilde wel even voor de camera's van de Amsterdamse kabelzender AT5 nadrukkelijk stellen dat het een schande was als Audi zou gaan bepalen wat er in het Stedelijk te zien zou zijn. Dat het autobedrijf tien miljoen gulden wilde steken in een nieuwe vleugel, dat was mooi, want de gemeente had er geen geld voor, maar dat ze in ruil daarvoor een `showroom' in die nieuwe vleugel wilden, met een auto erin: dat ging echt te ver. Dan was het de commercie die dicteerde wat er in een stedelijk kunstmuseum te zien zou zijn. Hier moest een streep getrokken worden, dat was duidelijk.

De koortsachtige verontwaardiging over deze `agressieve' manier van sponsoring bereikte vorige week een hoogtepunt toen de Amsterdamse PvdA over deze kwestie een `openbaar debat' organiseerde, met kopstukken uit de cultuur en landelijke en plaatselijke politici. Een greep uit de reacties. Frans de Ruiter, directeur van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag en voorzitter van de belangenvereniging Kunsten '92: Stedelijk-directeur Rudi Fuchs was weliswaar een `heerlijke naïeve man', maar hij had zich door de `agressieve sponsor Audi' laten inpakken. Oud-Stedelijk directeur Wim Beeren vond een auto `geen kunstproduct en dat moet je niet aanprijzen in ons stedelijk museum'. PvdA-Kamerlid Judith Belinfante vond het `reine commercie.' Zo'n `productpresentatie' was volgens haar in strijd met de Code Cultuursponsoring, die `iedere openbare aanprijzing van goederen, diensten of denkbeelden' verbiedt, want sponsoring is geen reclame.

Het was, kortom, wel duidelijk: Fuchs had zijn ziel aan de duivel, in dit geval Audi, verkocht - en dat kon niet. Raadslid Piersma stelde tijdens het debat vast, dat als het niet anders kon, het Stedelijk Museum maar moest wachten met de uitbreiding tot de gemeente geld genoeg heeft om het wel te betalen. Tentoonstellingen door de museumdirectie opgezet, ja, die mochten wel gesponsord worden. Dan was het gevaar van inmenging van de commercie afwezig.

Angst

Piersma en zijn medestanders hebben succes gehad. Eergisteren trok de Amsterdamse cultuurwethouder Saskia Bruines (D66) het omstreden vertrouwelijke sponsorplan terug en beloofde zij de zaak opnieuw te bekijken. Ze gaat weer met het Stedelijk en Audi praten, en kijkt of er nog andere oplossingen zijn.

Wat deze hele affaire laat zien, is hoe groot de angst is van de hoofdstedelijke Partij van de Arbeid - de machtigste partij in Amsterdam - om tot nieuwe vormen van samenwerking te komen tussen kunstinstellingen en het bedrijfsleven. En het laat goed zien hoe gemakkelijk oude socialistische vijandbeelden van stal worden gehaald, waarmee, zonder de feiten ter harte te nemen, ontwikkelingen worden gesmoord die het kunstleven in de hoofdstad kunnen laten opbloeien.

Want de feiten, voor zover bekend, zijn heel anders dan Piersma en zijn opgewonden medestanders ons willen doen geloven.

Om te beginnen wil Audi helemaal niet bepalen wat het museumbeleid moet worden, zoals Piersma suggereert. Fuchs heeft al gezegd dat in het geheime contract de autonomie van de museumdirecteur van het Stedelijk gewaarborgd is. Dat Audi als grijpgrage kapitalist de vrijplaats van de kunst in de stad wil wurgen is onzin.

Audi wil ook geen autoshowroom in de nieuwe museumvleugel, zoals Piersma beweert. Het ligt anders. Het autobedrijf wil tien miljoen gulden betalen voor de bouw van de nieuwe museumvleugel, en het wil tien jaar lang het tentoonstellingsprogramma jaarlijks steunen met ongeveer een ton, volgens museumwoordvoerder P. Mosterd. Dat wil zeggen: Audi ondersteunt, in overleg met het museum, onderdelen van een tentoonstellingsprogramma dat de directeur van het museum vaststelt. Die tentoonstellingen wil Audi graag gepresenteerd zien in de `vitrine' van de vleugel die de naam Audi Forum krijgt.

De gevel van de nieuwe vleugel aan de Van Baerlestraat heeft in het ontwerp van de Portugese architect Siza een glaswand. Drievijfde van die wand wordt in beslag genomen door de museumbrasserie, en de rest van de wand is een etalage (vitrine) waarin het museum `reclame' kan maken voor zijn tentoonstellingen. Audi wil graag dat daar kunstwerken of installaties komen van exposities die Audi steunt - en af en toe zou daar dan ook een auto in komen te staan, die in verband met de expositie wordt gebracht. In een vertrouwelijke brief aan de raadsleden, na de tumultueuze vergadering, heeft Audi dat nog eens proberen uit te leggen. Er zal in de museumvitrine voornamelijk kunst te zien zijn, `het grootste deel van de tijd zal er geen auto staan', schrijft Audi in de brief, die door deze krant is ingezien. Audi heeft helemaal geen behoefte aan een showroom: `We hebben honderd showrooms in het land, en die voldoen,' aldus de brief.

Audi is dus een veel beschaafder sponsor dan de PvdA ons wil doen geloven - en dat is ook logisch, want Audi wil niet een plat autoverkopersimago bevorderen, maar een verfijnd cultureel imago creëren. Het wil geassocieerd worden met grensverleggende, moderne kunst, niet met geheide culturele successen als de Vijfde van Beethoven. Voor de symfonische sector staan de sponsors in de rij. Voor omstreden moderne kunst niet. Audi wil bij de avant-garde horen - en dat brengt met zich mee dat je de kunstenaars en hun museumdirecteuren hun gang laat gaan. Dat Audi graag wil dat wij weten dat zij dat allemaal betalen, door een naam of een logo hier en daar, of af en toe eens een auto, dat lijkt me niet verwerpelijk. Dat gebeurt ook al, bijvoorbeeld in het Filmmuseum in Amsterdam, met de Grolschzaal, of de Dr. Anton Philips concertzaal in Den Haag.

Op de benedenverdieping van de nieuwe museumvleugel wil Audi voor een periode van tien jaar - zo lang loopt de overeenkomst - een hoek van ruim 400 vierkante meter waar de door Audi gesponsorde exposities getoond worden. Ook daar kan, als dat te pas komt, een auto neergezet worden. Maar niet zonder overleg met de museumdirectie.

De discussie draait om de vraag of het erg is dat er in een duidelijk afgebakende ruimte in een museum kunst of design getoond wordt, die de museumdirectie heeft gekozen in overleg met een sponsor.

Mij lijkt dat geen bezwaar, al was het maar omdat in de huidige Sandberg-vleugel van het museum - die voor de nieuwe vleugel van Audi gesloopt moet worden - jarenlang tentoonstellingen gehouden zijn van Amsterdamse kunstenaars, die volledig buiten de verantwoordelijkheid van de directie vielen: dat stond er ook altijd bij op een bordje. Dat waren bovendien commerciële exposities: de Amsterdamse kunstenaars verkochten er hun werk.

Wat zeer verwarrend werkt in deze discussie, is de term sponsoring. Het gaat in het geval van Audi en het Stedelijk helemaal niet om sponsoring. Kunstsponsoring bestaat uit kortlopende steun, in ruil voor een discrete naamsvermelding of een feestje voor medewerkers van het sponsorende bedrijf. Fuchs heeft in 1993 van de gemeenteraad, ook van de PvdA dus, te horen gekregen: als jij naast de uitbreiding achter het museum, die ons als stad 35 miljoen gulden kost, ook nog de oude, slooprijpe Sandberg-vleugel wil vervangen, dan moet je daar zelf het geld maar voor zoeken.

Geen sponsoring

`Privaat-publieke samenwerking' was de letterlijke omschrijving en dat is een vorm van financiële steun, of participatie, die veel verder gaat dan bescheiden sponsoring. Die houdt in dat zowel de publieke partij, de stad of het museum, als de private partij, in dit geval Audi, beide een duidelijk voordeel van deze samenwerking hebben. Dus het beroep op de Code Cultuursponsoring is niet van toepassing op deze vorm van steun. Sterker nog: Audi stelt zich juist terughoudend op. Audi houdt zich eigenlijk wél aan die code, door geen zeggenschap over het beleid te willen, en vraagt alleen een ruimte waarin door Audi gesponsorde kunst te zien is - af en toe met een auto erbij. En een logo of een naamsvermelding hier en daar.

Het is onverstandig van Fuchs en Audi dat zij, toen al dit politieke tumult ontstond, niet duidelijker de beeldvorming hebben gecorrigeerd. Hun sjieke argument dat het om vertrouwelijke afspraken gaat, schaadt de ontwikkeling van hun eigen plannen.

Maar dat niet alleen. Het schaadt ook de culturele ontwikkeling van de hoofdstad. Ruim honderd jaar geleden verrezen aan het toen nog nieuwe Museumplein, na het Rijksmuseum, zowel het Stedelijk Museum als het Concertgebouw. Die twee laatste culturele instellingen waren het resultaat van particulier initiatief: vermogende, kunstminnende zakenlieden schonken hun kunstverzameling aan de stad, op voorwaarde dat er een museum kwam, en brachten geld voor de bouw van het Concertgebouw samen. Het Stedelijk en het Concertgebouw zijn de afgelopen eeuw toonaangevend voor de culturele ontwikkeling in Nederland geweest. Zonder publieke middelen had de stad die belangrijke culturele impulsen moeten missen.

Wat dat betreft is er in honderd jaar niet veel veranderd. Privaat geld van kunstminnende bedrijven is nog altijd onontbeerlijk voor de grote culturele impulsen die Amsterdam nodig heeft. Ambitieuze plannen voor grote nieuwe instellingen ontbreken ten ene male in Amsterdam. Een plan voor een nieuw museum voor de 21ste eeuw is er niet, een plan voor een theater voor nieuwe culturen in Amsterdam Zuid-Oost, om maar eens wat te noemen, ontbreekt. Er is wel een door de PvdA toegejuicht plan om onder de Dam een groot winkelpaleis te bouwen door een projectontwikkelaar - maar dat valt niet in de sector cultuur. De Amsterdamse werkelijkheid is dat de gemeenteraad tien jaar vergadert over de uitbreiding van het Stedelijk. De financiering van het nieuwe vlakke-vloer theater, waarop al jaren gewacht wordt, is ook nog niet rond. Culturele instellingen als het Berlage Instituut en binnenkort het Filmmuseum vluchten naar Rotterdam, waar ruimer gedacht wordt en meer kan.

De Amsterdamse politiek heeft zich van zijn benepenste kant laten zien in het debat over de zakelijke steun aan het Stedelijk - en de stad zal dan ook als het culturele sufferdje van het land de volgende eeuw in gaan. Want, wat is het alternatief dat de PvdA-er Piersma het Stedelijk biedt, nu hij `geen Audi in het Stedelijk' wil? ,,Wachten'' zei hij, ,,Het Stedelijk moet maar wachten tot de stad geld voor de nieuwe museum vleugel heeft.''

Audi heeft geen behoefte aan een showroom, Amsterdam heeft behoefte aan Audi.