Alles komt vanzelf goed

De jaren zestig sloegen een gat in het morele weefsel van de westerse samenlevingen, volgens Francis Fukuyama. Met de ontvoogding kwam de onverschilligheid. Nu zijn de wonden aan het helen, omdat op chaos altijd een nieuwe ordening volgt. Maar hoe moreel is die ordening eigenlijk?

Cellentekort? Er zijn elfhonderd cellen óver, meldde minister Korthals van justitie twee weken geleden aan een verbaasde Tweede Kamer. Geen wonder: niet alleen is er de afgelopen jaren het nodige aan cellen bijgebouwd. Ook lijken, schreven de wetenschappers Junger en Wittebrood deze maand in het Tijdschrift voor Criminologie, de misdaadstatistieken de werkelijkheid nogal te hebben overdreven. In plaats van een stijging van het aantal geweldsmisdrijven is dat aantal in Nederland op zijn minst stabiel. Dat geldt ook in de landen om ons heen, aldus het duo.

Voor premier Kok moet het bericht van het cellenoverschot een déjà vu zijn geweest. De minister-president had vorige maand nog rondgelopen in Harlem, de voormalige zwarte misdaadwijk van New York. Een bijna vriendelijke, opgeknapte buurt was het, uit de schaduw getreden van zijn beruchte verleden.

Dat de criminaliteit in de Verenigde Staten en Nederland op de terugtocht is zou nog kunnen worden verklaard door de bloeiende economie. De Amerikaanse arbeidsmarkt is na jaren van uitbundige economische groei zó krap, dat zelfs de werkloosheid onder de moeilijk bemiddelbare minderheidsgroepen nu naar een record diepte daalt. Datzelfde geldt voor Nederland. Het zou vreemd zijn als er geen verband was tussen méér werkgelegenheid en minder misdaad.

Feit is echter dat, volgens de Amerikaanse historicus Francis Fukuyama, overal in de Westerse wereld de criminaliteit zijn piek heeft gehad. En niet alleen de criminaliteit: allerhande scheuren in het sociale weefsel van normen en waarden, ontstaan in de jaren zestig, zijn na drie getroubleerde decennia langzaam aan het helen. Er zijn relatief minder éénoudergezinnen, minder gebroken huwelijken, en ook het beroep op de bijstand neemt af. Dat markeert, aldus Fukuyama in zijn nieuwe boek The Great Disruption, een restauratie van de moraal in bredere zin. Hij vangt de door hem gesignaleerde verschijnselen onder één noemer: het heroptreden van het verantwoordelijkheidsgevoel van de mens voor zijn omgeving – je zou het `gemeenschapszin' kunnen noemen.

Grote scheuring

Hoe kan dat? Heel eenvoudig: volgens Fukuyama heeft de menselijke soort een ingebouwde hang naar sociale orde, en onder normale maatschappelijke omstandigheden zal die neiging ook prevaleren boven de chaos. Maar als die omstandigheden een ingrijpende verandering ondergaan, treedt een verstoring op van de sociale orde. De overgang van een agrarische maatschappij naar de industriële samenleving, die in de eerste helft van de negentiende eeuw inzette, was zo'n overgang die gepaard ging met een brede sociale ontwrichting, die pas in de tweede helft van de vorige eeuw werd geheeld in een heringerichte samenleving, die was toegerust op de nieuwe tijd. Dat was de eerste `grote scheuring'.

De overgang van de industriële samenleving naar de informatiemaatschappij die momenteel, tegen het einde van de twintigste eeuw, zijn vorm krijgt, heeft in grote lijnen hetzelfde effect gehad. Hoewel Fukuyama de piek van de bijbehorende sociale ontwrichting al halverwege de jaren tachtig ziet, vindt de heling van deze tweede `grote scheuring' pas plaats in de loop van de jaren negentig. Eindelijk hervindt de Westerse mens zichzelf, na dertig jaar stuurloosheid.

Dit jongste boek van Fukuyama kan worden gezien als de voltooiing van het drieluik dat hij in 1992 begon met The End of History and the Last Man en het daaropvolgende Trust: the social virtues and the creation of prosperity – in het Nederlands nogal kort door de bocht vertaald als Welvaart. Centraal in het eerste werk staat de stelling dat het liberalisme als economisch stelsel de ideologische strijd heeft gewonnen. De ontwikkeling van de natuurwetenschappen drijft, aldus Fukuyama, onstuitbaar de economische ontwikkeling verder aan en deze stimuleert op zijn beurt – met horten en stoten, tegenslagen en zijpaden – een proces van politieke ontwikkeling in de richting van een liberale democratie. `Op lange termijn', aldus Fukuyama, `mogen we dan ook een progressieve evolutie van politieke instellingen in de richting van een liberale democratie verwachten.' In termen van de Duitse filosoof Hegel, aan wie Fukuyama in zijn ideële opvatting van de geschiedenis openlijk schatplichtig is: de these van de liberale democratie triomfeert, zonder levensvatbare antithese. In Hegels versie van de dialectiek als motor van het historische proces betekent dat logischerwijs het einde van de geschiedenis: geen nieuwe synthese meer. In Trust (1996) beweerde Fukuyama vervolgens dat de mate van onderling vertrouwen tussen burgers, het sociale kapitaal, van vitale invloed is op het succes van een maatschappij, gemeten als welvaart.

Toch begon hier de schoen al te wringen. Fukuyama's laatste stelling over het belang van `vertrouwen' staat haaks op wat de ingezetene van zo'n triomferende liberale democratie in het afgelopen decennium om zich heen heeft kunnen zien. De jaren negentig dreigen nu, in alle herdenkingswoede over de twintigste eeuw en het millennium, een beetje vergeten te worden, maar juist in dat decennium heeft zich een opmerkelijke verschuiving voorgedaan in de manier waarop mensen met elkaar, en met zichzelf, omgaan. En één die niet wijst op een toename van het onderlinge vertrouwen, integendeel.

Wat is er gebeurd? Egoïsme, materialisme en berekening lijken de standaard te zijn geworden voor het moderne handelen. Vrienden maken op een feest of receptie heet voortaan `netwerken' – geen investering in vriendschap meer zonder voorbedachte rade of winstoogmerk. Studenten kiezen hun vak minder uit roeping dan uit commercieel toekomstperspectief. Conflicten worden voor de rechter beslecht in plaats van door overleg. Diensten waarvoor vroeger een beroep werd gedaan op de omgeving – van het uitlaten van de hond tot een oppas voor de kinderen – worden betaald uitbesteed aan dienstverleners die juridisch kunnen worden aangesproken als ze in gebreke blijven. Scholieren die hun dagen slijten op scholen met `kantooruren' van 's ochtends acht tot 's avonds zes, zijn het neveneffect van een welvaartsniveau dat alleen nog kan worden bereikt met twee full time banen. Contracten komen in de plaats van contacten, verantwoordelijkheid wordt liever afgekocht dan genomen. Dat geldt zelfs voor huisdieren: verse eitjes van de leasekip in de zomer, als het beest pittoresk door de tuin scharrelt, en zodra de winter nadert, en de zorgplicht dreigt toe te nemen, wordt het beest weer opgehaald. Mededogen en zorg voor de noden van de abstracte medemens worden uitbesteed aan bijvoorbeeld de Postcodeloterij, uiteraard niet zonder bijbehorende kans op eigen fortuin.

Yuppenvolk

Dit beeld van de jaren negentig wordt niet alom gedeeld. Juist de jaren tachtig, het decennium van de lang vervlogen yuppie, stonden toch bekend als de jaren van verzakelijking, hebzucht en carrièredrang? In werkelijkheid zijn het echter de jaren negentig waarin al deze verschijnselen zich onder brede lagen van de bevolking hebben verspreid en daadwerkelijk van invloed zijn geworden op de inrichting van de samenleving. Het volk is yup geworden. Hier heeft zich op micro-economisch gebied dezelfde democratisering voltrokken als op cultureel gebied met de verworvenheden van de jaren zestig: het anti-autoritaire gedrag, de seksuele bevrijding en de jeugdcultuur. Ook die werden destijds geschraagd door een kleine voorhoede. Pas in de jaren zeventig liet de rest van Nederland voorzichtig zijn haar groeien.

In het `wees jezelf' liberalisme van de jaren negentig hebben beide trends hun kruispunt gevonden: de ideologie van zelfontplooiing en ontvoogding die sinds de jaren zestig wordt uitgedragen, is een huwelijk aangegaan met het financiële hedonisme van de jaren tachtig.

In het werk van Fukuyama schuilt op dit punt een tegenspraak. Hij roept in Het einde van de geschiedenis de triomf uit van het liberalisme. Maar dat liberalisme is gestoeld op een minimaal uitgangspunt: welbegrepen eigenbelang. Bij het streven naar meer persoonlijke welvaart zou de mens tevens – zonder dat actief na te streven – het grootste goed voor het grootste aantal mensen bevorderen. Dat zou betekenen dat het liberalisme, en daarmee ook de liberale democratie, geen inherente collectieve moraal heeft, en geen sociaal fundament anders dan het egoïsme. Geen maatschappelijk vertrouwen buiten het contract, geen sociaal kapitaal behalve geld.

Maar tegelijkertijd heeft Fukuyama in Trust juist de stelling verdedigd dat de meest succesvolle samenlevingen die zijn, waar sprake is van groot onderling vertrouwen. En daarmee raakt hij aan de `kernvraag van onze tijd' waar de voorzitter van de Liberale Internationale, de huidige Eurocommissaris Frits Bolkestein, al geruime tijd mee worstelt. Heeft het liberalisme een moraal die een samenleving kan dragen? Is het liberale individualisme verenigbaar met collectieve deugd en gemeenschapszin? Is het succesvol op de lange termijn? Dat moet wel, op straffe van het falen van zijn theorie over de liberale democratie als enig en meest succesvol maatschappijmodel. Zo ontpopt Fukuyama's opdracht naar het zoeken van moraliteit zich, om in de geest van Hegel te blijven, als een historische Notwendigkeit.

Gestrande jongens

De oplossing die hij in The Great Disruption aandraagt komt van boven – of liever: van binnen, namelijk uit onze natuurlijke menselijke constitutie. In het boek schetst hij de tegenstelling tussen het negatieve mensbeeld in Goldings Lord of the Flies – waarin een groep gestrande jongens op een tropisch eiland in een mum van tijd een dictatuur instelt – en de door de rattenvanger van Hamelen weggevoerde groep kinderen, die `hoe weinig ze zich ook van de culturele tradities van hun ouders zullen herinneren, nieuwe regels scheppen, die weinig van de oude verschillen'. Hun nieuwe sociale wereld `zal een verwantschapssysteem kennen, particulier eigendom, een systeem van goederenruil, statushierachieën en talloze andere normen die het gedrag van individuen inperken. (..) Ze zullen dit doen doordat ze menselijke wezens zijn, die van nature morele dieren zijn en voldoende redelijkheid bezitten om cultuurregels te creëren die het hun mogelijk maken met elkaar te leven', aldus Fukuyama.

Kortom, de moraal zit er bij ons ingebakken, `zonder hulp van een profeet die (..) het woord Gods komt brengen en zonder hulp van een wetgever om een overheid in het leven te roepen'. De vraag of het liberalisme een moraal heeft wordt op die manier irrelevant: de mens is simpelweg geschapen mét moraal. It's the biology, stupid. Voor de verdediging van deze stelling grijpt Fukuyama terug op de inzichten uit onder meer socio-biologie en speltheorie. `Goed' en sociaal gedrag zijn daarin uiteindelijk succesvol.

Zo wordt de tegenspraak in zijn werk door Fukuyama uiteindelijk ongedaan gemaakt langs een omweg: hij legt de basis voor een liberale moraal niet met een ethische theorie, niet met argumenten, maar uit de biologie en genetica. De natuur heeft ons liberaal gemáákt, compleet met geweten.

De Westerse samenleving heeft volgens Fukuyama nu drie verwarde decennia achter de rug, waarin de sociale regels en structuren de verandering van de industriële samenleving naar de informatiemaatschappij nauwelijks hebben kunnen bijbenen. Nu het overzicht terugkeert, keert ook de maatschappelijke rust terug en kunnen de sociale structuren zich hervinden in een nieuwe compositie. De maatschappelijke, culturele en economische experimenten die eind jaren zestig begonnen, waren weinig anders dan een maatschappelijke midlife-crisis.

Hier dient zich een ander probleem aan. Geldt die restauratie naar de waarden van vóór de grote scheuring niet ook voor Fukuyama's inzichten zelf? Wie Walt Rostows The stages of economic growth: A non-communist manifesto (1960) erop naslaat, vindt een theorie waarin elke samenleving zich ook al stapsgewijs onherroepelijk ontwikkelt tot het meest hoogwaardige model: een liberale democratie naar Amerikaans voorbeeld. En wie de erven van John von Neumann leest, vindt dezelfde biologische en speltheoretische inzichten die het sociale gedrag van mensen verklaren. Alle bouwstenen van Fukuyama's theorie waren ruim dertig jaar geleden al voorhanden, voordat de grote verwarring toesloeg en zij een Berufsverbot kregen in de jaren zeventig.

Zo ontpopt Fukuyama zich als de restauratie in eigen persoon. Alleen een gehaaide ondernemer slaagt erin van zo'n oud produkt met een nieuwe verpakking een succes te maken. Een succesvol wetenschapper is in de jaren negentig vóór alles goed in het vak (zelf-)marketing. In de multi-disciplinariteit waarin Fukuyama excelleert ontbreekt deze vakrichting dan ook zeker niet. Zijn bezoek aan Nederland volgende week wordt gesponsord door uitgerekend het symbool van afgekochte maatschappelijke verantwoordelijkheid: de Postcodeloterij.

Mager bewijs

Dat er een goede voedingsbodem is voor zijn inzichten heeft ongetwijfeld te maken met de maatschappelijke behoeften van dit moment. Een samenleving waarin vaste waarden en verbanden aan snelle verandering onderhevig zijn, waar het individualisme iedereen steeds meer terugwerpt op zichzelf, vergt een grotere bereidheid tot het nemen van risico`s en maakt het bestaan onzeker. In dat geval is het gerustellend om te lezen dat het allemaal vanzelf goedkomt.

Maar of het samenvallen van liberalisme en moraal zoals Fukuyama dat beschrijft, reeël is, moet nog blijken. Dat is het lot van elke historicus die zijn eigen tijd beschrijft. Vooralsnog is zijn bewijs erg mager. Sociale statistieken zijn voor velerlei uitleg vatbaar, internationaal moeilijk vergelijkbaar en leiden vaak tot meer debatten dan ze beslechten.

In de Verenigde Staten vindt op dit moment de langst durende economische expansie plaats sinds de jaren twintig, en in zo'n tijd van ongekende voorspoed is het gevaarlijk om al te licht conclusies te trekken over de richting waarin de samenleving zich structureel gezien begeeft. Dat geldt overigens ook voor Nederland, dat niet alleen in sociaal-cultureel maar zeker ook in economisch opzicht, van alle continentaal-Europese landen de afgelopen decennia het meest op de VS is gaan lijken. Een Duitser of Fransman zal zich moeilijker herkennen in Fukuyama's schets. De grote scheuring heeft bovendien, erkent Fukuyama zelf, in Japan en Korea niet waarneembaar plaatsgevonden, terwijl deze landen evengoed de overgang van industriële samenleving naar informatiemaatschappij hebben doorgemaakt.

Voor de auteur hoeft dat weinig uit te maken. Hij heeft zijn punt gescoord. De Grote Scheuring is een logische aanvulling op Fukuyama's eerdere gedachten. Zijn bouwwerk is voltooid, compleet en redelijk coherent. Die duidelijke stellingname zal hem ongetwijfeld in de toekomst een plaatsje geven in elk handboek Politieke Filosofie. Misschien wel naast Hegel.

En die elfhonderd cellen van Korthals? Er is al een plan om de Bijlmerbajes om te bouwen tot kantoorruimte. Maar met de rest moet de minister misschien nog even wachten totdat, naast de Nieuwe Economie, ook de Nieuwe Maatschappij er daadwerkelijk is gekomen.

Francis Fukuyama: The Great Disruption. The Free Press, 336 blz. ƒ65,55

De Nederlandse vertaling, De grote scheuring, verschijnt dinsdag.

Contact, 418 blz. (pbk), ƒ75,-