Allemaal schepselen Gods

Ik moet vreselijk, dadelijk, dringend naar de wc. Waar is hier in godsnaam een wc!

Ik ben bezig mijn voordeur open te maken. Een zwerfster. Ik zie het en ik ruik het. Twee goedgevulde plastic tassen worden haastig aan mijn voeten gezet. Ze duwt me aan de kant. Inderdaad, dit is duidelijk hoge nood.

Trap op, eerste deur links, het lichtknopje zit rechts aan de binnenkant. Ze stormt de trap op, wat stinkt dat mens. Maar aangezien ik op mijn moeder lijk die mij een halve eeuw geleden al leerde: `Het zijn allemaal schepselen Gods en je weet nooit hoe wij nog eens terechtkomen', laat ik haar begaan, maar blijf wel in de deuropening en niet alleen om een oogje op haar have te houden.

Nou, nou, dat duurt behoorlijk lang. Ietsje te lang zelfs. Er zal daar toch niet op mijn bloedeigen wc iets ernstigs met dat mensje gebeurd zijn? Ik denk al gauw aan mond-op-mondbeademing. Ik weet niet eens hoe dat in zijn werk gaat. Ik kan echt veel hebben, maar dit zou me toch te ver gaan. Waarom overkomt mij zoiets nu altijd? Nooit eens een keer rustig ongestoord door het leven gaan zoals elk fatsoenlijk mens, ik heb ook altijd wat.

Ach, stil toch, waar praat ik over? Zo'n mens dat de hele dag in de buitenlucht doorbrengt, is oersterk. Zie je wel, er wordt doorgetrokken en even later vertrekt mijn dame. Dame? Verdraaid het is helemaal geen vrouw, 't is een kerel, ook dat nog. Ik had hem bijna een kop koffie met een gebakken eitje aangeboden.

Terwijl ik niets meer voor de verdoolde heb gedaan dan hem op mijn wc te laten poepen, zie ik toch mijn zelfvoldane Florence Nightingale-grijns in de spiegel, als het moet heb ik voor de minderbedeelden heus wel wat over.

Jaren geleden. Winter. Snijdende wind, vorst en sneeuw. Ik sta in mijn erker en kijk tevreden naar de weersomstandigheden buiten. Als het winter is, hoort het ook winter te zijn. Geen gekwakkel maar stevig uitgepakt met dit jaargetij. Avercamp is niet voor niets mijn lieveling en tenslotte ben ik in de barre winter van 1938 geboren. Waarschijnlijk aan de vroege kant want: ,,Je woog nog geen vier pond en toen buurvrouw je zag zei ze tegen me, Jans, leg er maar een kussen op, dat wordt toch niks.'' ,,Mooi niet gedaan hè, lieverd'', hoor ik mijn moeder nog zeggen.

Kachel lekker hoog aan, glas cognac binnen handbereik. Zo kom ik mijn avond wel door. Wat staat daar een stumper te kleumen in de tochtige portiek van de slager aan de overkant. Moet je dat uitgehongerde gezicht zien naast de etalage vol hammen en worsten. Hij stampt met zijn voeten, moet je die schoenen zien, veel te dun, die man staat daar zo'n beetje dood te vriezen.

Ik buk me en zie op de thermometer buiten aan het raamkozijn dat het twaalf graden onder nul is, dus eigenlijk veertien, want je moet de graden bij het warme raam er immers bij op tellen. Gruwelijk koud buiten, terwijl ik er over nadacht de kachel hier binnen wat te temperen. In de wereld is het behoorlijk ongelijk verdeeld. Zeg kom asjeblieft, die man zal het er wel naar gemaakt hebben, dat hij daar zo moet staan te wiebelen. En ik dan? Wat heb ik, als puntje bij paaltje komt, eigenlijk de hele week uitgevoerd met mijn volgevreten kop?

De man aan de overkant ziet me staan. Waarom zoekt zo iemand uitgerekend de portiek tegenover mijn huis op om de stakker uit te hangen? Nogal logisch, uit het rooster onder het raam van de etalage komt een flardje warme stoom naar buiten. Voor zo'n verschoppeling is ieder vleugje warmte meegenomen.

Ik maak dat ik bij het raam wegkom. Waarom zou ik hem nog langer de ogen uitsteken? Na tien minuten: ja hoor, hij staat er nog en kijkt naar boven. Ik duik meteen op de grond naast de divan. Voorzichtig gluur ik over de rand van de vensterbank. Die man houdt me in de gaten. Hij ziet precies wat ik aan het doen ben, ik voel me in mijn eigen huis niet meer vrij om te gaan en te staan waar ik wil.

Wat heb ik met een waarschijnlijk zwakbegaafde, alcoholistische asociaal te maken? Ieder zorgt maar voor zichzelf. Ieder krijgt wat hem toekomt, laat hem maar naar het Leger des Heils gaan. Die mensen zijn dolgelukkig om iets goeds te doen, vooral als het vriest en sneeuwt, die stikken in de erwtensoep bij dit weer.

Hé, hé, ben je zo grootgebracht? Dat je je niet schaamt. Je bent zeker het verhaal van je boerengrootvader van het Groningse platteland vergeten. Over diens hartelijkheid en mededogen als hereboer wordt nog steeds in het hoge noorden met eerbied en respect gesproken. Moeder: die had voor iedereen wat over, die heeft tijdens de Eerste Wereldoorlog zelfs een heel stel Belgische vluchtelingen bij ons op de boerderij ondergebracht. Ten minste twintig mannen, vrouwen en kinderen heeft hij door de bittere vrieskou geholpen. Dat een van zijn dienstmeiden door een knalrode Gentenaar werd bezwangerd kon hij niet helpen. Het was dezelfde die de vrouw van de koster heeft volgestopt met armpjes en beentjes en ook met een gezonde, rode haardos. Wat waren de mensen in het dorp opgelucht toen dat hele stel weer terug naar het vaderland mocht, omdat de oorlog voorbij was. Nog steeds lopen daar tussen Garnwerd en Ezinge rode nazaten van de Belg rond.

Ik weet wat me te doen staat. Ik laat die arme man daar beneden niet stikken. Nog is Groningen niet verloren. Ik heb nog een heerlijke prak zuurkool met spek op het fornuis staan. Die kan ik zo even opwarmen. Er is rookworst en een behoorlijk stuk suddervlees met vette jus. Het eerste wat hij krijgt is een ferme slok Hennessy. Daar zal hij van opknappen. Boven heb ik nog wel een paar schoenen staan, als hij tenminste mijn maat heeft. Naar beneden, neem die warme sjaal mee voor die stakker.

Voor de slagerij stopt een auto. Mijn zwerver stapt in. ,,Verrek mens, waar blijf je, ik sta hier al meer dan een half uur te vernikkelen!''