215 Koppen thee

`Veertien dagen geleden is de Communistische Partij Nederland opgeheven. De wereld is niet meer wat zij geweest is', schrijft Karel van het Reve in de zomer van 1991. Het einde van de partij moet hem hebben verheugd. Vijftig jaar lang bestreed hij de communistische ideologie. Toch schrijft hij met weemoed over de CPN. Deze mengeling van vreugde en weemoed komt steeds terug in Achteraf, zijn postuum verschenen bundel columns die hij van 1988 tot 1996 voor Het Parool schreef.

In die jaren zeeg het Oostblok ineen, daarover bericht hij in Achteraf uitvoerig. De ineenstorting stemt hem weemoedig omdat daarmee ook een deel van zijn eigen wereld verdween. Van het Reve (1921-1999) was van huis uit communist. Hij viel rond 1950 van zijn geloof en keerde zich in zijn essays geregeld tegen de Sovjet Unie. Misschien voelde hij aan dat, nu het communisme uit Nederland verdween, deze essays ook overbodig zouden worden. Neem nu Het geloof der kameraden (1969), een van zijn beste boeken. Hierin legt hij glashelder de leer van Marx en Lenin uit en maakt deze met de grond gelijk. Hoe briljant ook, het boek kan nu niet meer boeien. Het is of je een boek leest waarin vurig wordt betoogd dat de wereld niet plat is.

Naast weemoedig klinkt Van het Reve in Achteraf ook bevrijd. Net als in zijn vorige bundel Luisteraars! (1995) is de toon luchtiger dan in eerdere boeken. Het vermaken, niet het overtuigen staat voorop. Opa is met pensioen, hij gaat zich niet meer druk maken; dat is de sfeer die Achteraf ademt. Hij schrijft even nuchter en droog als altijd, met nog meer ruimte voor luim dan anders. Slechte, lelijke of afgezaagde Nederlandse zinnen komen bij hem nooit voor.

Van het Reve noemde de reeks columns Achteraf omdat hij aanvankelijk van plan was zijn memoires te schrijven. Er staan dan ook zo'n vijfentwintig stukjes herinneringen in het boek. Mooi is de column waarin hij zijn huisarchief opruimt. Daarin vindt hij de drankrekening van zijn promotiefeest in 1954. De genodigden gebruikten `215 koppen thee, 4 pond theekoekjes, en 9 doosjes sigaretten'. De zuinige doctor in de letteren moest ƒ57,25 afrekenen. Een even pover feest was zijn bruiloft, vlak na de oorlog, waarop hij in een papieren kostuum verscheen, geleend van zijn broer Gerard. Zijn voormalige leraar geschiedenis Jacques Presser kon niet komen omdat hij geen schoenen had.

Van het idee om memoires te schrijven, wijkt hij snel af. Hij kan het niet laten zich met actuele kwesties te bemoeien. Hij laat zijn relativerende licht schijnen over de verplichte aidstest, het salaris van hoofdcommissaris Nordholt, en het decor van Zeg eens Aaa. Wat opvalt is Van het Reves onafhankelijke, onmodieuze geest. Hij stelde zich graag op als een geleerde uit de negentiende eeuw die per ongeluk in onze tijd is beland en daar verbaasd en geamuseerd verslag van doet.

In Achteraf keert hij zich wederom tegen de opinions chics van deze tijd; onzinnige modemeningen die iedereen klakkeloos overneemt. Over het verzuren der bossen schrijft hij bijvoorbeeld: `De aanhangers van de Waldsterben-theorie laten ons als bewijs van hun theorie af en toe op de televisie een paar dode bomen zien. Maar dat is net zoiets als wanneer je aan de hand van overlijdensadvertenties wil aantonen dat de mensheid bezig is uit te sterven.'

In 1978 heeft hij reeds een heel boek gewijd aan het onderuithalen van gemeenplaatsen, Uren met Henk Broekhuis, en ook in zijn andere boeken komen ze terug. Zijn hele oeuvre is eigenlijk een grote aanval op populaire opinies, en op de opinieleiders van deze eeuw: Marx, Freud en Darwin. Hij vond het natuurlijk leuk om tegen deze goden aan te trappen, maar hij had ook een hoger doel: om de beschaving met halstarrige redelijkheid te beschermen tegen de domheid van de modegevoelige opinievolgers. In Achteraf komen al zijn stokpaardjes nog één keer voorbij. Daarmee is het boek een uitstekende inleiding op het oeuvre van Van het Reve.

Zijn beste essays gaan over de letterkunde. Ook Achteraf gaat grotendeels over literatuur. Niemand kan zo smakelijk en enthousiast over schrijvers vertellen als Karel van het Reve. Hij mocht zich graag voordoen als een boerenslimme leek, als een buitenstaander in de letterkunde. In feite was hij een gevestigde letterkundige: hoogleraar Slavische Talen te Leiden van 1957 tot 1983 en winnaar van de P.C. Hooftprijs in 1982.

Toch trapt hij graag tegen de gevestigde letterkunde aan. Hij weet precies te vertellen hoe literatuurwetenschap niet moet. Gebruikelijke `onleesbare' verhandelingen over vertelperspectief, structuur en leitmotiv vindt hij onzin. Hij zei dit ook al in zijn beruchte Huizingalezing: Het raadsel van de onleesbaarheid (1979). Later werkte hij dit betoog uit in de inleiding van zijn Geschiedenis van de Russische Literatuur (1985).

In Achteraf tast hij verder af hoe letterkunde wel moet. Hij probeert te onderzoeken waarin de kwaliteit van een goed boek schuilt, terwijl hij weet dat je dit niet kunt zeggen. Hoe meer je van iets weet, des te voorzichtiger is je oordeel, schrijft hij in Achteraf. Wat communisme betreft ging deze stelling voor hemzelf niet op. Maar over letterkunde oordeelt hij inderdaad opmerkelijk voorzichtig. Met instemming citeert hij de kunsthistoricus Ernst Gombrich (1909): `Er zijn veel dingen die we niet over kunst kunnen zeggen. En het belangrijkste dat we niet kunnen zeggen, is waarom iets goed of slecht is.'

Karel van het Reve: Achteraf. G.A. van Oorschot,

408 blz. ƒ39,90