Veel meer dan het schot alleen

Het jachtseizoen is begonnen; sinds het afgelopen weekeinde mag er ook weer op het klein wild worden geschoten. Is de jager een schutter of vooral een biotoopbeheerder? Het vizier op een omstreden bezigheid. ,,Een dier kan niet kiezen voor euthanasie.''

Twee duiven worden afgeschoten, maar voor de haas is het nog te vroeg. De jacht op klein wild is geopend. Een kraai wordt geraakt.

IN DE VERTE VLIEGT nog onbekend waterwild richting jagers. Nog voordat de uiterlijke eigenschappen van het gevogelte duidelijk zijn, hebben de jagers Cees Noorlander en `maatje' Jan van Doesburg de soort al correct `aangesproken'. Het zijn twee wilde eenden en dus bejaagbaar. De jagers maken eendengeluiden met de mond en een van hen zet zich snel op de knieën achter het camouflagenet. ,,Jij links, ik rechts!'' De eend die links vloog, manoeuvreert nog naar rechts om, zonder het zelf te weten verwarring te zaaien. Links blijft echter links en vier luide schoten volgen. De eenden vallen neer. Thor, een Duitse staande langhaar, wordt er als eerste op afgestuurd, gevolgd door eigenaar Noorlander. Een van de eenden leeft nog en tracht weg te komen. Met twee schoten wordt het uit zijn lijden verlost.

Als de jacht sluit die avond, een halfuur na zonsondergang, blijkt dat de eenden de helft van de vangst vormen. Op het jachtveld aan de Waal, nabij Tuil, worden nog een duif en een kauw geschoten. Maar gedurende twee uur blijven de FN Brownings voornamelijk stil. Ook als een eend zich nestelt in het waterpoeltje dat net voor de jagers ligt. Makkelijk binnen de range van de geweren, zo'n vijfendertig meter. Letterlijk een sitting duck. ,,Dat is te makkelijk. En zittend heeft een eend een veel groter incasseringsvermogen dan vliegend. De vleugels bedekken zijn lichaam. Daar schiet je dus niets mee op.'' Thor wordt erop afgestuurd opdat de eend opvliegt en weer binnen schotafstand komt. De eend vliegt en blijft weg.

Het jachtveld wordt gepacht door Van Doesburg en van tijd tot tijd bejaagd met zijn jachtmaat Noorlander. Eenden, duiven en ander eetbaar wild dienen als wildbraad en worden opgegeten of verdeeld onder vrienden. Kraaien en kauwen worden afgeschoten om schade aan landbouwgebieden te voorkomen. Maar het uiteindelijke afschot vormt volgens Noorlander maar een klein onderdeel van de jacht. ,,Ik jaag het hele jaar door en niet alleen hier. Maar ik denk dat ik maar een kwart van de tijd daadwerkelijk met de jacht bezig ben. De rest van de tijd ben je bezig met het veld. Je bouwt een houtwal, gaat het stropen tegen of wat al niet meer.''

Het zijn woorden die keer op keer worden bevestigd door de jagers. Op de cursus die leidt tot het jachtdiploma – een van de voorwaarden om te mogen jagen – is het bijna iedere les raak: jager, neem je verantwoordelijkheid! Jagen is meer dan schieten, zo heet het. Herhaaldelijk wordt over biotoopbeheer gesproken en worden de al dan niet wettelijke gedragsregels aangehaald. Docenten manen schietgrage cursisten vooral maar naar de schietbaan te gaan als ze hun lusten willen botvieren. En als je schiet, dan moet het een clean hit zijn. In één keer dodelijk, een van de gedragsregels van de jagers.

De cursusleiders spreken ook veel en hartstochtelijk over hun eigen ervaringen. Zo spreekt een van de docenten met veel respect over het wild zwijn. Een uitermate nobel en slim dier, zo roemt hij. Wegens zijn vernuftigheid en moeilijke bejaagbaarheid de favoriet van de docent. ,,Als je daar toch op mág jagen. Zo mooi.'' Om tot slot ook de culinaire eigenaardigheden van het dier te prijzen.

Jagers willen graag af van het triggerhappy-imago, zo veel is duidelijk. Biotoopbeheer is een veelgehoord sleutelwoord dat jagers gebruiken in een samenleving die hen kritisch volgt. Ook jagers Peter Kortekaas en Jan de Kort – laatstgenoemde heeft een pacht van 250 hectare nabij Oisterwijk – voeren het aan. ,,Ik ben geen schietgrage groene jongen'', zegt De Kort. ,,Ik draag het hele jaar zorg voor het veld en dan is het inderdaad mooi dat ik mag `oogsten'. Ik ga nooit weg met het idee dat ik móet schieten. Maar als iets `voorkomt', wil ik het natuurlijk wel goed raken.'' Kortekaas en De Kort maken op 16 oktober, een dag na de seizoensopening van de kleinwildjacht, een rondgang over het perceel. Bij een kwekerij van coniferen wordt eerst naar konijnen gezocht. Daisy, een allround Epagneul Français, rent als drijfhond door de coniferen. Links, rechts, dwars, de neus blijft laag bij de grond. De Kort loopt er niet ver achter, stampt op de grond en maakt `prrr prrr'-geluiden om de konijnen uit het perceel te drijven. Kortekaas wacht aan het uiteinde de konijnen op met zijn hagelgeweer. Tevergeefs. ,,Er zijn te weinig drijvers. De hond kan het ook niet alleen aan. De konijnen lachen zich rot; op een gegeven moment zit hun geur overal en weet de hond het ook niet meer.''

Toch valt er een schot. In de verte herkent De Kort een kraai en schiet. De kraai maakt een kleine duikvlucht, maar vliegt verder. ,,Oh ja, die was raak. Je voelt het op het moment dat je schiet. Tenminste, als je genoeg gejaagd hebt.'' Hij illustreert de impact door op een vrijliggend stuk plastic te schieten. De hagel stuift op bij de impact. ,,Zo zie je dat dus. Als je er maar op let. Maar waarschijnlijk was de kraai te ver weg, dus die overleeft het wel.''

In ongeveer vijf uur worden verscheidene delen van zijn pacht aangedaan. Geen stil landelijk gebied, maar een perceel bedekt met onder meer boerenbedrijven van kleinfruittelers, veetelers, boomkwekers. Aardbeivelden, velden met jonge boompjes, grasvelden, coniferen maar ook straten en wegen: de jacht ligt midden in de bewoonde wereld. Het jachtveld is hiermee zeker geen uitzondering in Nederland. Slechts op kleine stukjes wordt gejaagd of `gepeuterd'. Of de huizen zijn te dichtbij, of het heeft simpelweg geen zin: het schot zou het landbouwgewas te veel schaden. Slechts op open velden wordt er af en toe een schot gelost. Pas na enkele uren, er zijn dan wel tevergeefs zes schoten gelost, wordt voor het eerst geoogst. Een duif valt na het schot op een grasveld. Daisy wordt geïnstrueerd het dier op te halen. De jager commandeert de hond: ,,Volg, vooruit, nee, dat is niet vooruit, Daisy apport, goed, vooruit, apport, goed zo, hartstikke braaf.'' Daisy wandelt terug met de duif in de bek. De Kort hangt het dier aan leertjes aan zijn jas. Niet veel later, nadat de jagers een kwartiertje in een droogstaande sloot hebben doorgebracht, volgt nog een tweede duif. De oogst van ongeveer vijf uur jagen. Een haas verschijnt nog wel voor de loop, maar die laten de jagers lopen. Te vroeg in het seizoen, de haas wordt in de winter nog `toonbaarder'.

De jacht beperkt zich deze middag vooral tot een lange wandeling onder een sterke herfstzon. ,,Mooi toch zo'n dag wandelen'', zegt Kortekaas. ,,En er valt ook nog wat te halen ook. Dat is het mooie. Dat hoeft niet altijd wild te zijn. Ik ga ook naar de natuur voor bijvoorbeeld tamme kastanjes of wilde bramen.''

Op jaarbasis worden er op het perceel van De Kort ongeveer 300 duiven, 60 konijnen en een paar hazen geschoten. Fazanten, en dan alleen de hanen, komen alleen op de korrel als er voldoende van zijn. De reeën, getuige de sporen eveneens op het terrein aanwezig, worden met rust gelaten. ,,Tenzij ze schade berokkenen aan de landbouw. Dat is een keer gebeurd maar toen hebben we het anders kunnen oplossen. We hebben bij de landbouwgrond stokken neergezet met plastic zakken en leeuwenmest neergelegd. De beweging van de zakken en de geur van de mest heeft het ree inderdaad verdreven bij de grond. Dus die laten we nu gewoon lekker lopen.''

De Kort is het hele jaar met zijn terrein bezig. Hij staat in contact met de agrariërs die hem waarschuwen bij al te grote overlast van het wild. Sommige weken is hij vier dagen per week te vinden op `zijn' veld. ,,In dienst van de landbouw, zo zie ik het wel'', vertelt De Kort.

Op de jachtcursus lijkt het dat er maar weinig aspirant-jagers werkzaam zijn in de landbouw. Op de vraag wie als boer werkzaam is, voelt in elk geval niemand van de ongeveer zestig cursisten in het zalencentrum te Assendelft zich geroepen de vraag bevestigend te beantwoorden. Maar een stereotype jager aanduiden is in deze cursusplaats niet mogelijk. Weliswaar meer mannen dan vrouwen, maar voorts: jong, oud, uit de stad, van het platteland. Jachtkennis is bij een deel van de cursisten wel aanwezig. Sommige cursisten geven aan de hand van zeer gedetailleerde vragen blijk van de nodige voorkennis. Aan de bar wisselen enkele cursisten hun (illegale) jachtervaringen uit.

In het veld achter het camouflagenet vertellen Noorlander en Van Doesburg dat de eendenvangst van de avond niet bijzonder groot was. In de twee uur dat de jagers achter het net hebben gezeten, zijn misschien tien eenden voorbijgekomen. Slechts enkele binnen schotafstand. ,,De wind is te stil en het is ook nog te vroeg. Eenden zijn nachtdieren en vliegen tegen de wind in. Dat is niet erg hoor, we zijn lekker buiten geweest. Maar wacht maar af als we straks weggaan, dan zit het hier vol met eenden'', voorspelt Noorlander. Als de jagers de jacht van die avond sluiten, gebeurt het inderdaad. Nadat twee uur lang bijzonder weinig eenden waren te zien, vliegen er nu binnen twee minuten zeven over en dalen er nog eens twintig neer op de waterput. Allemaal binnen schotafstand. Het blijft stil.