Valuta's wisselen kost banken altijd geld

Waarom rekenen banken vergoedingen voor valutatransacties? Omdat die hun op drie manieren geld kosten.

Allereerst is er het wisselkoersrisico: de koers van bijvoorbeeld een dollar kan zich gedurende de dag dat de bank haar aan- en verkooptarieven berekent wijzigen. Om zich daartegen in te dekken rekent de bank een verschil tussen door het publiek aangeboden dollars, die laag worden ingekocht, en verkochte dollars, die veel hoger in prijs zijn.

Hoe wispelturiger de onderliggende wisselkoers, hoe hoger het risico, en dus hoe groter het verschil tussen de aan- en verkoopprijzen die de bank hanteert.

Ten tweede kost het aanhouden van een voorraad bankbiljetten geld. Het kapitaal van de bank dat in die voorraad vastligt genereert geen rente. Een voorraad van 100.000 dollar contant geld `kost' op dit moment zo'n 20 dollar per dag aan gemiste rente.

Het geld moet bovendien worden getransporteerd, afgehandeld en gedistribueerd. Daarnaast zijn er administratieve kosten voor afhandeling van de wisseltransactie en uiteraard kosten van het baliepersoneel.

Met de komst van de euro is de eerste kostenpost weggevallen. Bij het onderling omwisselen van een van de elf eurovaluta's (de Belgisch/Luxemburgse frank, de Franse franc, de Duitse mark, de Finse markka, de lire, de peseta, de Portugese escudo, het Ierse punt en de gulden) is er sinds begin dit jaar geen koersrisico meer. Deze munten zijn er alleen nog in naam, en zijn in feite vaste coupures geworden van de ene Europese munt, de euro.

Begin 2002 verdwijnen de nationale munten definitief, en circuleren er enkel nog euromunten- en biljetten.