Protestantse fusie

TWEE ANTI-REVOLUTIONAIRE partijen zijn op weg naar een soort fusie. Het GPV en de RPF willen zich bij de Tweede-Kamerverkiezingen, die voor 2002 op de rol staan, met één kandidatenlijst presenteren. Begin volgend jaar gaan GPV en RPF het organisatorische kader scheppen voor deze politieke samenwerking. Beide partijen blijven apart. Maar via de oprichting van een Christelijk Politieke Unie zullen ze vergaand aan elkaar worden geklonken.

GPV en RPF hebben altijd in elkaars vaarwater gezeten. Het GPV is het resultaat van de breuk in de gereformeerde kerken van 1944, toen dominee Schilder uit Kampen het aan de stok kreeg met de synode en de drijvende kracht werd achter de `vrijgemaakte' gereformeerden. Na de oorlog konden de vrijgemaakten hun draai niet vinden in de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) en besloten daarom tot de oprichting van hun eigen GPV dat uiteindelijk in 1963 zijn intrede in de Tweede Kamer deed. De RPF was aanvankelijk een `mantelorganisatie' van het GPV. Toen de ARP medio jaren zestig steeds `rekkelijker' werd en schoorvoetend opschoof richting KVP en CHU, waardoor later het CDA ontstond, zagen `preciezen' het Anti-Revolutionaire axioma van de `antithese' in gevaar komen. Omdat ze niet `vrijgemaakt' waren, mochten ze geen lid worden van het GPV. Om toch een steunpunt te hebben, werd het Nationaal Evangelisch Verband opgericht. Maar door een richtingenstrijd binnen het GPV over een fusie, ging de RPF vanaf 1974 haar eigen weg: met desastreuze gevolgen voor het GPV dat zich in 1982 in één klap overvleugeld zag.

MET DE UNIE wordt deze historische weeffout nu rechtgebreid. Het gevolg zal zijn dat er ter confessionele zijde van het CDA een geduchte organisatie ontstaat. Ook de SGP, die anders dan Anti-Revolutionairen haar theocratische wereldbeeld blijft koesteren, weet zich uitgedaagd. Samen zijn GPV en RPF goed voor ongeveer 26.000 leden en daarmee sterker dan de SGP.

Deze organisatorische kracht kan ook de andere partijen te denken geven. Terwijl de grote formaties alleen maar leden kwijtraken – en, zoals D66, zelfs in financiële problemen raken – blijken de kleine christelijke partijen, met de SP, de enige politieke partijen die zich staande weten te houden of zelfs groeien. Tot nu toe is daarop laconiek gereageerd. Moderne burgers zijn geen lid meer van een partij, is de houding. De langzame maar gestage opmars van de laatste echte partijen van Nederland bewijst dat deze marketingopvatting over politieke participatie geen wet van Meden en Perzen is.